Vonken van inspiratie. Correspondenten rond 1900 en de uitgave van hun brieven dient een tweeledig doel: het is enerzijds een geschenk voor Annemarie Kets ter gelegenheid van haar afscheid van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in 2017, zoals blijkt uit de laatste bijdrage van Peter de Bruijn, een persoonlijk dankwoord. Anderzijds wil het boek vooral de vonken uit de titel laten knetteren, opdat het door Kets verrichte onderzoek wordt voortgezet door een nieuwe generatie studenten en onderzoekers. Kets werkte vanaf 1984 bij het Bureau Basisvoorziening Tekstedities aan haar wetenschappelijke editie van Max Havelaar, en bekleedde vanaf 1992 diverse leidinggevende functies bij het Huygens Instituut. Een van de indrukwekkendste projecten die zij heeft opgezet is het digitaal samenvoegen van brievennetwerken uit de negentiende eeuw, vooral de correspondenties van de letterkundige Albert Verwey (1865-1937) en de beeldend kunstenaar Willem Witsen (1860-1923). De correspondentie van Witsen was al online beschikbaar via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (https://www.dbnl.org/tekst/wits009brie01_01/index.php). Kets zorgt ervoor dat de correspondenties als geheel bestudeerd kunnen worden en voegt metadata toe, waaronder biografische profielen van alle correspondenten. In totaal beslaat de nu beschikbare collectie 5512 brieven van 439 verschillende personen. Daarmee zijn alle ruim 2000 brieven uit de collectie Witsen beschikbaar, waarvan er 844 door Witsen zijn geschreven. Van Verwey, die naar schatting 30.000 brieven schreef, is de correspondentie beperkt tot de jaren 1880-1895. Uit de database volgt dat er 1967 brieven aan Verwey zijn opgenomen, en 1233 van Verwey zelf.

Na de algemene inleiding van Marijke van Faassen en Ton van Kalmthout, die onder andere het belang van de brief in de negentiende eeuw belichten, komen nazaten Peter Paul Witsen en Gerlof Verwey aan het woord. Zij gaan in op de rol die hun voorouders in hun leven spelen. Daarna maakt Annemarie Kets inzichtelijk wat de briefwisseling tussen Witsen en Verwey, die tamelijk kort duurde, zo bijzonder maakt. Zij stelt dat ‘domein overschrijdende contacten en discussies van cruciaal belang’ waren in het tijdperk waarin Witsen en Verwey leefden. Witsen en Verwey waren betrokken bij diverse disciplines, wat hun correspondenties uitermate geschikt maakt voor interdisciplinair onderzoek. Leo Jansen staat stil bij de vernieuwing van de editiewetenschap en de nieuwe mogelijkheden. Zo stipt hij aan dat kattebelletjes, die voorheen niet de moeite waard leken, in het grotere digitale verband wel degelijk interessant kunnen zijn.

Daarna volgen drie bijdragen die inhoudelijk op het onderzoeksobject ingaan (zoals de brievencollectie en Albert Verwey zelf) door te laten zien hoe het omvangrijke brievencorpus voor onderzoek gebruikt kan worden. Mathijs Sanders gaat in op de internationale contacten van Verwey, in dit geval diens correspondentie met de Duitse dichter Stefan George, om te laten zien hoe Verwey zich als Europeaan profileerde. Rob van de Schoor maakt duidelijk hoe het onderzoek naar brieven een aanvulling kan zijn op tekstinterpretatie voor de casus wie de ‘ik’ is in de poëzie van Willem Penning Jr.

Madelon de Keizer, die een biografie van Verwey schreef, plaatst kritische kanttekeningen bij zowel het centraal stellen van Verwey alsook bij de nadruk op het jaar 1900. Volgens De Keizer kun je meer mensen als sleutelfiguren uit het culturele domein rond 1900 beschouwen, misschien zelfs wel meer dan Verwey dat was. Het corpus zou dan ook uitgebreid moeten worden met brieven van andere bepalende schrijvers en schilders, zoals Frederik van Eeden en Jan Veth, en met brieven van architecten, psychologen, filosofen en bètawetenschappers. Zij pleit er tevens voor de Nederlandse cultuur van rond 1900 niet te zien als een op zichzelf staande periode, maar ook oog te hebben voor de historische continuïteit.

Al met al inspireren de diverse bijdragen aan deze publicatie de lezer om zelf aan de slag te gaan met het brievencorpus. Het corpus is opgezet ten behoeve van verschillende geesteswetenschappelijke disciplines. Voor mijn eigen discipline, de taalkunde, is de brievencollectie interessant om, bijvoorbeeld, vanuit de netwerktheorie te onderzoeken of, en in hoeverre, deze specifieke groep taalgebruikers elkaar heeft beïnvloed, zoals op het gebied van spelling, woordvorming of woordvolgorde. Welk spelsysteem hanteerden de briefschrijvers, en kun je briefschrijvers aanwijzen naar wie anderen zich richtten? Ook als we meer zicht willen krijgen op de gesproken taal uit deze periode, kunnen de brieven van nut zijn, want gesproken taal is nauwelijks overgeleverd uit deze periode. Handgeschreven bronnen, met name persoonlijke brieven, zijn wat dat betreft bruikbaar onderzoeksmateriaal, omdat het taalgebruik daarin dichter bij gesproken taal ligt dan het taalgebruik in gedrukte werken. Wie dit materiaal taalkundig wil onderzoeken, zal zich er uiteraard bewust van moeten zijn dat het taalgebruik van Verwey en Witsen nogal overheerst, want samen zijn zij goed voor bijna 40 procent van de brieven. Om het taalgebruik van de verschillende scribenten op een evenwichtige manier met elkaar te vergelijken, zou men een selectie moeten maken uit hun brieven. Helaas biedt de database daartoe niet de mogelijkheid. Er blijft voor taalkundige onderzoekers nog iets te wensen over: het zou uitermate handig zijn als het brievenmateriaal doorzocht kan worden op lemma en op woordsoort. Op die manier wordt deze correspondentie nog meer ‘een mijn waarin ieder naar behoefte speuren kan’, zoals Verwey in zijn brief aan H.T. Colenbrander van 21 januari 1925 schreef.