Het kleine vorstendom Orange in Zuid-Frankrijk, waarvan de zestiende- en zeventiende-eeuwse geschiedenis zo nauw verbonden is met die van het Huis Oranje-Nassau, heeft in de Nederlandse geschiedschrijving weinig aandacht genoten. Een uitzondering vormen de studies van het echtpaar Elisabeth en Willem Leemans-Prins met vooral de tweedelige publicatie La Principauté d’Orange de 1470 à 1580, Une societé en mutation (1986). Tezelfdertijd verscheen van de hand van Wivine van Rijssen-Zwart een gedetailleerd artikel in het Jaarboek 1987 van de Vereniging Oranje-Nassau Museum (29-73) over de bezetting van het vorstendom door Lodewijk XIV van 1660-1665.

Het helder geschreven boek van Andreas Wilhelm beslaat de hele zeventiende eeuw. Wilhelms aandacht gaat vooral uit naar de internationale verwikkelingen rond het vorstendom en de vrijwel onmogelijke opgave om vanuit Nederland te zorgen voor een behoorlijk bestuur van Orange. Een uitzondering daarop vormt het gouverneurschap van Christoph von Dohna (1583-1637), die door zijn huwelijk met Ursula van Solms verzwagerd was aan prins Frederik Hendrik en door deze in 1630 tot gouverneur van Orange was benoemd. Deze functie vervulde Von Dohna van 1630 tot aan zijn dood in 1637. Hij werd opgevolgd door zijn echtgenote Ursula en hun zoon Friedrich, die dit ambt respectievelijk van 1637 tot 1649 en van 1649 tot 1660 waarnamen. Friedrichs uitoefening van het hoogste ambt in het vorstendom verviel echter in de oude fouten van zelfgewin en eigengereidheid.

Christoph von Dohna is de centrale figuur in dit boek. Zijn bemoeienis met de interne aangelegenheden van Orange beperkten zich niet tot het herstel van ordelijk bestuur in de door godsdiensttwisten en internationale kuiperijen getroffen stad. De door hem geïnitieerde verbetering van de publieke financiën in zijn gebied en de controle over de muntslag kwamen ook de inwoners ten goede door uitgaven voor onderwijsinstellingen als het collège en de universiteit. En dat trok weer een drukkerij aan. De protestanten werd vergund een grote kerk te bouwen (afgebroken na de herroeping van het Edict van Nantes in1685), maar ook de rooms-katholieke gezindte ontving subsidies. De godsdienstvrede van Alès (1629) en het bondgenootschap tussen de Staten-Generaal en Frankrijk droegen eveneens aan de positieve jaren bij.

Wilhelm gaat ook dieper in op de positie van het parlement van Orange, waarvan de doorgaans zes leden door of namens de soeverein werden benoemd, en op het belang van deze instelling als hoogste juridische instantie én als trait d’union tussen de gouverneur en de lagere publieke organen in het vorstendom. Het parlement bezat volgens de auteur in vergelijking met veel andere parlementen een stevige positie. De pariteit tussen de beide religies werd bij benoemingen gehandhaafd.

Na de dood van stadhouder Willem II in 1650 ontspon zich een strijd tussen zijn weduwe en zijn moeder over de invloed op het vorstendom. Dat kwam de situatie, die toch al verslechterd was door het zwakkere bewind van Friedrich von Dohna, niet ten goede. Het verschafte uiteindelijk Lodewijk XIV het excuus het vorstendom te bezetten om het in goede orde te bewaren voor de minderjarige prins Willem III. Onderwijl werden de sterke, door Maurits gebouwde vestingwerken direct afgebroken. Orange’s militaire betekenis verdween daarmee. Het is te danken aan de deskundige onderhandelingen gevoerd door Constantijn Huygens, begunstigd door een kortstondige goede relatie tussen Frankrijk en de Republiek, dat Willem III tot veler verrassing in 1665 het bewind weer in handen kon nemen, zij het voor een korte periode. Een nieuwe Franse bezetting vond in 1672 plaats. Het doek viel definitief in 1702 na de dood van Willem III, toen het vorstendom bij Frankrijk werd ingelijfd.

Orange und das Haus Nassau-Oranien im 17. Jahrhundert is rijk geïllustreerd met een aantal door de auteur vervaardigde foto’s van onder meer de ruïnes van het kasteel van Orange en enkele in het vorstendom geslagen munten uit zijn eigen verzameling. Bij zijn onderzoek in archieven en bibliotheken heeft Wilhelm de catalogus gemist van de tentoonstelling uit 1985, georganiseerd door de Archives Nationales te Parijs, maar gehouden in de stad Orange bij de herdenking van de herroeping van het Edict van Nantes. Die zou nog meer passend beeldmateriaal geleverd hebben, zoals het fraaie portret van de laatste door Willem III benoemde gouverneur van Orange François de Langes de Lubières (1664-720). Die werd enkele jaren later voor Pruisen gouverneur van het Zwitserse Neuchâtel, de troostprijs voor de koning van Pruisen, die zijn zinnen op het vorstendom Orange had gezet.

Interessant is de opname van passages uit het dagboek van Christiaan II van Anhalt-Bernburg (1599-1656) uit 1634, die in dat jaar door zijn vroegere mentor Christoph van Dohna in Orange werd rondgeleid. Deze nieuwe bron bevestigt de stelling van de auteur dat Dohna’s gouverneurschap een periode van bloei voor het vorstendom heeft betekend. Het valt te prijzen dat de complexe geschiedenis van het prinsdom Orange door deze uitgave toegankelijk is geworden voor een niet-Nederlandstalig publiek.