De Nederlandse Burgeroorlog (1748-1815) van Olaf van Nimwegen is een van de belangrijkste boeken over de Nederlandse revolutie die recentelijk zijn verschenen. Na de inhaalslag van de afgelopen jaren kunnen we niet langer stellen dat het revolutietijdvak het ondergeschoven kindje is van de Nederlandse geschiedschrijving. Voor wie geïnteresseerd was in de militaire geschiedenis van de revolutie bleef er echter weinig voorhanden. Aan deze situatie is nu gelukkig een eind gekomen. Van Nimwegen heeft met dit boek een handzame introductie afgeleverd die jaren mee kan.

De burgeroorlog uit de titel duurde strikt genomen slechts enkele maanden, van mei tot september 1787, voorafgaand aan de Pruisische interventie in de Republiek. De belangrijkste wapenfeiten uit deze confrontatie tussen stadhouderlijke troepen en een patriots leger, die zich vooral op Utrechts grondgebied afspeelde, worden uit de doeken gedaan in hoofdstuk 6 van het boek. Dit deel van Van Nimwegens verhaal is natuurlijk al wel vaker verteld. Hij schrijft het echter niet gemakzuchtig over, maar reconstrueert de strijd zelf op basis van een keur aan archiefbronnen en egodocumenten. Hij weerspreekt op basis van zijn onderzoek historiografische gemeenplaatsen als zouden de patriotse beroepsmilitairen zich op het moment suprême onbetrouwbaar hebben getoond en als zouden de burgersoldaten niet tegen hun taak opgewassen zijn geweest.

Aangekomen bij dit hoofdstuk heeft de lezer het grootste deel van het boek er al op zitten. Hoewel studies die vooral bestaan uit voorgeschiedenis doorgaans geen aanbeveling verdienen, ligt de grote waarde van dit boek juist in de aanloop. Van Nimwegen maakt hierin namelijk stap voor stap duidelijk waarom inzicht in de militaire dimensie van het laat achttiende-eeuwse conflict tussen orangisten en patriotten onontbeerlijk is. Historici hebben zich tot nu toe vooral geconcentreerd op de politiek-ideologische botsing, die draaide om verschillende ideeën over de politieke macht van de stadhouder en de invloed van het volk op de politiek. De houding van Willem V tijdens de Vierde Engelse Oorlog wordt doorgaans gepresenteerd als niet meer dan de lont in het kruitvat, die veel dieper liggende onvrede tot uitbarsting bracht.

Maar de patriotten en de stadhouder dachten ook fundamenteel verschillend over kwesties van militaire aard. Willem V en zijn belangrijkste adviseur, de hertog van Brunswijk, wilden een leger naar Pruisisch model, waar strenge orde en tucht heersten en soldaten gedrild werden om bevelen zonder na te denken uit te voeren. De stadhouder wilde ook dat de manschappen onvoorwaardelijk loyaal waren aan hem als kapitein-generaal. Dit laatste was problematisch, omdat de verschillende gewestelijke Staten zijn troepen betaalden, waardoor van de militairen traditioneel een meervoudige loyaliteit werd verlangd: aan de stadhouder als militair opperbevelhebber, aan het Statencollege dat als betaalheer fungeerde, en ook nog aan het Statencollege van het gewest waar de troepen zich bevonden. Willem V wilde mede daarom dat alle delicten die door militairen waren begaan, ook de burgerlijke, onder een speciale militaire rechtbank zouden vallen, zodat hij meer vat op de militairen had. Hij hield ook vast aan zijn recht om alle officiers te benoemen en troepen te verplaatsen zonder toestemming van de Staten. Regelmatige troepenverplaatsingen achtte de stadhouder nodig, omdat de militairen anders gezinnen zouden stichten in de garnizoensplaatsen waar zij gelegerd waren en niet langer de Pruisische discipline die hij van hen verlangde in acht zouden nemen.

Veel patriotten stonden uiterst wantrouwig tegenover welke vorm van beroepsleger dan ook. Zij keken op beroepssoldaten neer als waren het hersenloze slaven. Hun ideaal was een professioneel burgerleger, dat uitsluitend defensief zou worden ingezet. De burgers die van dit leger deel uitmaakten hadden bij voorkeur juist lokale binding met het gebied waar zij werden ingezet; dit was ook het leidende idee achter de exercitiegenootschappen die overal in de Republiek op lokaal niveau werden opgericht. Er waren ook patriotten, vaak met een militaire achtergrond, die inzagen dat zo’n burgerleger alleen niet genoeg was om het land te verdedigen tegen militaire dreiging van buiten. Ook deze voorstanders van handhaving van een beroepsleger wilden dit echter op een heel andere grondslag inrichten dan de stadhouder. Zij wilden soldaten die midden in de burgermaatschappij stonden en die daarom dus juist vaste garnizoensplaatsen kregen en daar niet alleen in de gelegenheid werden gesteld te trouwen, maar ook onder de jurisdictie van burgerlijke rechtbanken vielen. Zij verafschuwden de ‘pruisificatie’ van de militaire tucht in de Republiek en stonden een meer verlichte, minder hiërarchische verhouding tussen manschappen en officieren voor. Daarnaast hadden ze kritiek op allerlei onderdelen van de legerorganisatie die Brunswijk had opgezet, zoals het teveel aan officieren en het tekort aan soldaten en de te lage soldij, maar ook de hoge mate van desertie en de structurele problemen die zich voordeden bij de rekrutering.

Toen het conflict tussen de patriotten en de orangisten zich ontwikkelde tot een gewapende strijd, richtten beide kampen hun legers in volgens hun eigen opvattingen. De Rijngraaf van Salm liet de in Utrecht gelegerde patriotse troepen waarover hij het opperbevel voerde dagelijks onder veel publieke belangstelling onder de wapenen komen en paraderen. Hierover is door historici vaak lacherig gedaan en de Rijngraaf is ijdeltuiterij verweten, maar dit gebeurde met de kennis achteraf dat hij Utrecht uiteindelijk zonder strijd zou opgeven toen de Pruisen in aantocht waren. Hoewel Van Nimwegen dit besluit een ‘onvergefelijke fout’ noemt (278), maakt dit het volgens hem niet minder bijzonder dat de Rijngraaf erin slaagde de kritische patriotse pers, burgers en beroepsmilitairen in Utrecht de handen ineen te doen slaan en de moraal hoog te houden. Tot de val van Utrecht boden de patriotten de stadhouderlijke troepen serieus tegenstand.

In de laatste twee hoofdstukken van De Nederlandse Burgeroorlog worden de orangistische restauratie (1787-1795) en de Bataafs-Franse tijd (1795-1815) behandeld als de lange nasleep van de burgeroorlog. Waardevol is hier vooral Van Nimwegens analyse van de pogingen om het patriotse militaire ideaal ingang te doen vinden in het nieuw op te richten leger van de Bataafse Republiek. Natuurlijk bleek, zoals bij alle Bataafse hervormingsplannen, de werkelijkheid weerbarstig. Niet alle soldaten bleken goed om te kunnen gaan met een minder strenge krijgstucht. Ook leverde het problemen op dat alle soldaten nu de vrijheid kregen om te trouwen, omdat de soldij nog altijd niet toereikend was om een gezin te kunnen onderhouden. Het plan om naast het beroepsleger bij wijze van tegenwicht een nationaal burgerleger op te richten werd evenmin een succes, omdat lokale bestuurders zich verzetten tegen een burgermacht waarover zij geen zeggenschap hadden en die daarom dus ook tegen hen kon worden ingezet.

Ik heb op dit boek weinig aan te merken, maar als ik een kleinigheid mag noemen is het dat Van Nimwegen het vroegere negatieve oordeel over de weinige vrouwen die erin voorkomen kritiekloos overneemt: Anna van Hannover noemt hij heerszuchtig en het slachtoffer van een verkrachting door vijf soldaten omschrijft hij als ‘een vrouw van een twijfelachtige reputatie’ (75). Op dit punt is de auteur nog wat blijven hangen in het verleden, maar De Nederlandse burgeroorlog is verder alleszins een geslaagde exercitie in militaire geschiedenis nieuwe stijl.