Dit boek is alweer het vijfde deel in de reeks ‘oorlogsdossiers’ van de hand van Doedens en Mulder, gepensioneerde geschiedenisdocenten in het hoger en middelbaar onderwijs. Het initiatief is loffelijk: de auteurs willen op een toegankelijke manier de militaire geschiedenis uiteenzetten, een aspect van het verleden dat in Nederland vaak onderbelicht blijft.

Tiendaagse veldtocht begint met een inleiding (6-14). Daarna volgt een proloog (11-14) die vooruitwijst naar de Tiendaagse Veldtocht, met enkele lange citaten uit geschriften van tijdgenoten. Wie daardoor honger krijgt naar meer moet lang wachten, want pas op bladzijde 142 begint het hoofdstuk dat de Tiendaagse Veldtocht behandelt. Eerst worden de grotendeels gescheiden wegen van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden vanaf de Bourgondische tijd tot 1813 behandeld (15-31), de periode van het Verenigd Koninkrijk (32-64) en de Belgische Opstand (65-141). Het hoofdstuk over de Tiendaagse Veldtocht (142-165) wordt gevolgd door een korte beschrijving van de ontwikkelingen tot aan de definitieve boedelscheiding tussen Noord en Zuid in 1839, een epiloog, een overzicht van lieux de mémoire, een bibliografie en een register (166-191). Een katern met afbeeldingen, veelal in kleur, bevindt zich op bladzijde 97-128, terwijl op bladzijde 152 een kaart het verloop van de krijgshandelingen weergeeft.

Bij de beschrijving van de aanloop naar de Tiendaagse Veldtocht volgen de auteurs de lijnen die Jeroen Koch en Els Witte hebben uitgezet, de eerste in zijn biografie van Willem I, de tweede in haar studie Het verloren koninkrijk. Doedens en Mulder hebben hun gidsen goed gekozen, wat niet wegneemt dat ze zuinig zijn geweest bij hun literatuurkeuze. De dissertatie van Jeroen van Zanten hebben ze bijvoorbeeld niet geraadpleegd, terwijl die verplichte kost zou moeten zijn bij zo’n onderwerp: Schielijk, winzucht, zwaarhoofd en bedaard. Politieke discussie en oppositievorming 1813-1840 (Amsterdam 2004). Soms blijken Doedens en Mulder vaardige docenten, want in kort bestek weten ze het verloop van de gebeurtenissen op duidelijke wijze weer te geven. Alle ingrediënten waren dus aanwezig om er een aardig boek van te maken, in de vorm van een traditioneel, verhalend exposé. Toch is Tiendaagse veldtocht dat niet geworden.

Nu geeft het natuurlijk geen pas om aan populairwetenschappelijke geschiedschrijving strenge, wetenschappelijke criteria op te leggen. Maar de auteurs zijn in dit geval zelf hun boekje te buiten gegaan. Ze volstaan niet met een weergave van bekende feiten, maar proberen de bestaande inzichten te corrigeren (zie bijvoorbeeld p. 81). Dat is een onmogelijke opgave binnen het zelfgekozen kader van een populair boek zonder notenapparaat. Het doet ietwat potsierlijk aan dat ze hun betoog kracht proberen bij te zetten met een verwijzing naar documenten uit het Nationaal Archief die ze niet nader specificeren (44). Toch is dat wat telkens gebeurt.

Wat ligt de auteurs dan zo na aan het hart? Het verzet in het ingelijfde Koninkrijk Holland tegen de Franse overheersing heeft volgens hen tot nu toe niet de aandacht gekregen die het verdient, waarbij ze met name verwijzen naar de oproeren rond de conscriptie in 1813. Maar de vuistdikke dissertatie van Johan Joor over precies dat onderwerp, De adelaar en het lam. Onrust, opruiing en onwilligheid in Nederland ten tijde van het Koninkrijk Holland en de inlijving bij het Franse keizerrijk (1806-1813) (2000) kennen de auteurs niet. Met eenzelfde gretigheid hebben ze zich gestort op het verzet tegen de dienstplicht onder Willem I, volgens hen eveneens een omissie in de geschiedschrijving. Helaas hebben ze geen kennis genomen van de dissertatie van Eddy van Roon over dat onderwerp, een proeve van history from below die de auteurs had moeten aanspreken: Lotgevallen. De beleving van de dienstplicht door de Nederlandse bevolking in de negentiende eeuw (2013).

Al dat nadrukkelijke tamboereren op de trom van opstandigheid waar andere historici onvoldoende oog voor zouden hebben, heeft tot een onevenwichtig boek geleid. De aanloop tot de Belgische Opstand is buitensporig lang in vergelijking met de beknopte weergave van de opstand op zich. En zelfs wanneer ze bij die opstand zijn aangekomen, weten de auteurs geen maat te houden. De opstootjes tegen de dienstplicht die in Twente uitbraken rond de jaarwisseling 1830-1831 krijgen bijvoorbeeld royaal de aandacht, met als suggestief kopje ‘een ‘“Boerenrepubliek” in verzet’ (79-81). De auteurs zetten dit zwaar aan, zodat het als een verrassing komt dat de oproerigheid de kop wordt ingedrukt zonder enig bloedvergieten. Vergeleken bij dit schokkende nieuws uit Twente verbleekt de weergave van de mislukte aanval op Brussel in september 1830, waarbij ruim zeshonderd mensen de dood vonden. De auteurs besteden daaraan minder aandacht dan aan het oproer in Twente.

Door alle onnodige uitweidingen bleef er geen ruimte over om het kostbare naspel van de Tiendaagse Veldtocht te belichten: het jarenlange verblijf van tienduizenden militairen in Noord-Brabant, in afwachting van een definitieve vredesregeling. Voor wie een moderne benadering van oorlog en vrede hanteert, is deze interactie tussen burgersamenleving en leger een buitenkansje. Dat daar een interessant onderzoeksterrein ligt, is ruim dertig jaar geleden al aangetoond door Harry van den Eerenbeemt en Mathea Linders-Rooijendijk in hun studie Vreemde militairen in een gesloten samenleving. Invloed van inkwartieringen op de bestaans- en leefsituatie in Noord-Brabant tijdens de eerste jaren van de Belgische Opstand 1830-1834 (1986). Maar ook dat boek prijkt niet in de bibliografie van de auteurs.

Tiendaagse Veldtocht zou dus veel gewonnen hebben als de auteurs niet zo kopschuw waren geweest ten opzichte van de academische wereld. Ze hebben kansen laten liggen doordat ze hun concepttekst niet aan deskundigen hebben voorgelegd. Hoewel het onderwerp zoveel te bieden heeft, blijft de lezer in dit geval met een onbevredigd gevoel achter.