De bundel Van Constantijntje tot Tonio, onder redactie van de Leidse neerlandici Rick Honings, Olga van Marion en Tim Vergeer, laat de lezer niet onberoerd. In achttien hoofdstukken, omlijst door een inleiding en een epiloog, maakt zij of hij een historische reis langs aangrijpende Nederlandse literaire monumenten, opgericht voor overleden kinderen. Voor deze tijdslijn van middeleeuwen tot heden hebben neerlandici, gespecialiseerd in verschillende periodes van de literatuurgeschiedenis, de handen ineengeslagen. Dit gebeurt niet zo vaak, want periodespecialisten werken in het huidige internationale en interdisciplinaire onderzoeksklimaat veelal vaker samen met periodespecialisten uit andere landen of disciplines dan met collega-neerlandici. Het thema van de kinderdoodliteratuur leent zich bij uitstek voor zo’n diachrone aanpak, omdat het een constant literair thema is, terwijl de omgang ermee ook voortdurend verandert. Terwijl in Tonio of Schaduwkind rauw verdriet van de pagina’s spat en menselijke taal tekortschiet om de pijn te benoemen of te verzachten, vinden onderkoelde vroegmoderne dichters troost bij de gedachte dat een kind bij God is. Lange tijd werd in de voetsporen van Philippe Ariès aangenomen dat de liefde van ouders voor kinderen pas vanaf de late middeleeuwen langzaamaan tot ontwikkeling kwam: eerder was de kindersterfte zo schrikbarend hoog dat men zich niet aan kinderen zou kunnen en willen hechten. Tegenwoordig heeft deze evolutionistische ‘zwarte legende’ plaatsgemaakt voor het idee dat niet zozeer gevoelde emoties veranderen, maar eerder de mate waarin en de manier waarop zij geuit kunnen worden. Ontwikkelingen in de representatie van het dode kind hangen dus samen met verschuivende emotionele conventies, veranderende kinds- en doodsbeelden en nieuwe literatuuropvattingen. Daardoor is het literaire motief van het dode kind een dankbaar zoeklicht om veel bredere culturele transformaties te traceren en duiden.

Van Constantijntje tot Tonio positioneert zich in de inleiding van Honings en Vergeer als een Nederlandse poging om aansluiting te zoeken ‘bij een internationale onderzoeksbelangstelling’ (10). Terwijl de Angelsaksische wereld de bundel Representations of Childhood Death van Gillian Avery en Kimberly Reynolds (2000) heeft, was er tot nu toe geen Nederlandse ‘overzichtsstudie’ (11) van dit onderwerp. Het is jammer dat de internationale inkadering van Van Constantijntje tot Tonio wordt gereduceerd tot Representations of Childhood Death, zeker omdat deze bundel maar weinig houvast biedt: de inhoud ervan is ‘zo uiteenlopend, dat het niet lukt om overkoepelende kenmerken van kinderdoodliteratuur te benoemen’ (10). Aanvullende inspiratie had kunnen worden ontleend aan bloeiende internationale onderzoeksvelden, zoals de history of childhood en de history of emotions – ik denk bijvoorbeeld aan een studie als Childhood and Emotion across Cultures 1450-1800 van Claudia Jarzebowski en Thomas Max Safley (2014) over verschuivende emotionele normen in de omgang met kinderen. Omdat Van Constantijntje tot Tonio niet vertrekt vanuit een gemeenschappelijk theoretisch-analytisch kader of een door eerder onderzoek gestaafde hypothese, is de bundel bovenal een verzameling op zichzelf prikkelende en prettig leesbare case studies. De belofte van een ‘overzichtsstudie’ met ‘lijnen [...] tussen heden en verleden’ (12) kan hij echter slechts gedeeltelijk waarmaken.

In het hoofdstuk van Helma van Lierop-Debrauwer over kinderdood in jeugdboeken wordt die belofte wel ingelost. Daarin wordt geschetst hoe het kindbeeld en jeugdboekengenre zich vanaf de verlichting grofweg ontwikkelde, met aandacht voor zowel de constanten (‘het weglaten en verzachten van (gruwelijke) details rondom de dood van een kind’ (200)) alsook voor de veranderingen: vanaf 1970 groeide de behoefte de jeugd te confronteren met realistische maatschappelijke problemen als ziekte en dood. In de andere bijdragen moeten de lezers zelf onderlinge verbanden leggen tussen de verschillende hoofdstukken. Gelukkig zijn daartoe allerlei aanknopingspunten. Zo ziet de lezer de ruimte voor kinderen geleidelijk groeien (Ludo Jongen schrijft over de weinige kinderen in de Middelnederlandse literatuur en Anne van den Dool vertelt over de mogelijkheid om in huidige romans dode kinderen sprekend op te voeren), alsook de ruimte voor het verdriet van de achterblijvers (door Rick Honings gekoppeld aan de romantiek; zie ook de achttiende-eeuwse aanloop bij Rietje van Vliet).

Een van de spannendste terugkerende lijnen is de worsteling van recensenten en lezers met het emotionele karakter van de kinderdoodliteratuur. Binnen de modernistische formeel-esthetische poëtica geldt sentimenteel effectbejag als verdacht en oppervlakkig, maar tegelijkertijd vinden literatuurcritici dat zij een authentiek emotioneel werk niet zomaar kunnen diskwalificeren. Klaas la Roi analyseert hoe Anna Enquists vroege werken dikwijls zijn weggezet als kitscherig en sentimenteel, terwijl recensenten haar boeken over haar verongelukte dochter voorzichtig en minder kritisch bespraken. Esther Op de Beek vergelijkt de receptie van Esther Jansma’s poëzie met die van Thoméses Schaduwkind en laat zien dat critici ‘opmerkelijk veel moeite [deden] om het thema van de kinderdood [...] niet voorop te stellen’ (210). Vanuit een heel andere aanvliegroute belicht ook Maaike Meijer ‘het conflict tussen modernisme en de premoderne voorkeur voor expliciete emotie en drama’ (154). Zij analyseert levensliederen over dode kinderen, die populair werden omdat daarin oprechte ontroering werd gecombineerd met een voortdurend weglachen van emoties. Meijers bijdrage is uniek vanwege de focus op populaire cultuur, waar de rest van de bundel – helaas zonder dit te problematiseren – een opvallend canoniek verhaal vertelt. Het opnieuw bespreken van veel bestudeerde canonieke teksten kan overigens wel degelijk verfrissend zijn: Olga van Marion weet nieuw licht te werpen op Vondels ‘Constantijntje’ door het gedicht in samenhang met theologische interteksten te lezen. Maar Meijers analyse van smartlappen als de huiselijkheidspoëzie-in-een-nieuw-jasje doet ons beseffen dat canonieke kinderdoodliteratuur consequenter in relatie tot de populaire cultuur bestudeerd moet worden.

De bundel besluit met een mooie epiloog waarin Frans-Willem Korsten constanten en ontwikkelingen in het genre van de kinderdoodliteratuur bediscussieert. Dat doet hij voorzichtig, naar eigen zeggen omdat elk sterfgeval uniek is en vergelijkingen daarom onmogelijk zijn, maar natuurlijk ook omdat de case studies te zeer in aanpak verschillen en de verdeling over de periodes te onevenwichtig is om heldere literair-historische lijnen te trekken. Toch slaagt Korsten erin de bundel op een hoger niveau te tillen. Een belangrijke historische ontwikkeling, zo stelt hij, zien we ‘in de bandbreedte van de private of publiekelijke verwerking van het verdriet’ (257): in de middeleeuwen en vroegmoderne periode werd rouw niet publiekelijk tentoongesteld, terwijl dat in de huidige mediacultuur nadrukkelijk wel gebeurt. De door Sander Bax geanalyseerde roman Tonio van A.F.Th. van der Heijden noemt Korsten als exemplarisch voorbeeld. Kenmerkend voor de hedendaagse omgang met de kinderdoodliteratuur is de fascinatie voor het autobiografische, authentieke verdriet van schrijvers. Zoals Korsten het treffend verwoordt: ‘Door de mediadichtheid [...] is niets nog “echt” maar moet alles tegelijk als “zo echt mogelijk” verschijnen. Een effect van die paradox is dat verdriet dat niet publiekelijk wordt geventileerd wel geen echt verdriet zal wezen. En om dat te vermijden leidt dat soms, of nogal eens, tot vormen van rouwexuberantie’ (258). Ik deel Korstens constatering dat dergelijke rouwexuberantie de vroegmoderne literatuur vreemd was, maar denk dat de tegenstelling privaat-publiek niet toereikend is om de door hem genoemde verschuiving te begrijpen. Is hier niet eerder sprake van een ontwikkeling waarbij de Vondels uit het verleden zochten naar manieren om hun persoonlijke ervaring naar een universeler niveau te trekken, terwijl de hedendaagse Van der Heijdens juist het unieke van hun emotionele beleving moeten uitbuiten?

Wat mij betreft hadden Korstens bespiegelingen het vertrekpunt van de bundel mogen zijn, zodat ze door de hoofdstukken heen waren ingekleurd of bijgesteld en de lange literair-historische en culturele lijnen waaraan de case studies raken verder waren uitgediept. Van Constantijntje tot Tonio is de prikkelende aanzet tot een diachroon verhaal dat in vervolgonderzoek verder zal moeten rijpen.