Out-of-Area is het laatste deel van een door de Commissie voor Zeegeschiedenis onder auspiciën van de KNAW geïnitieerd drieluik van dissertaties over de Koninklijke Marine na de Tweede Wereldoorlog. Doel van dit drieluik was de kennis over dit krijgsmachtdeel op een hoger, wetenschappelijk plan te brengen. Geconcludeerd mag worden dat dit gelukt is. Anselm van der Peets Out-of-Area, dat in 2016 als proefschrift werd verdedigd aan de Universiteit Utrecht, is een ware Fundgrube. Het boek behandelt vier onderzoeksvragen, te weten: was er in de onderzochte periode een traditie van out-of-area operaties als instrument van buitenlandse politiek? Was de Marine daarin speler dan wel speelbal? Hoe ontwikkelde de relatie met de Royal Navy zich? En: droeg de binnen- en buitenlandse perceptie van de Koninklijke Marine bij aan het besluit tot inzet en de realisatie van de politieke doelen? Dit zijn ambitieuze vragen. Van der Peet, als marine-historicus verbonden aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, beantwoordt ze aan de hand van hoofdstukken over de Nederlandse buitenlandse politiek, het denken over strategie binnen de Marine en drie casestudies die elk een out-of-area operatie centraal stellen: de Koreaanse oorlog, de inzet in de Perzische Golf eind jaren tachtig en voor de kust van Joegoslavië in de jaren negentig. Het zal niet verbazen dat de in totaal slechts zes hoofdstukken gezamenlijk een lijvige studie vormen.

Van der Peet laat overtuigend zien dat de Koninklijke Marine, veel meer dan vaak aangenomen, in staat bleek haar eigen ideeën te realiseren. In studies over het naoorlogse defensiebeleid wordt vaak gewezen op de vooraanstaande rol die staatssecretaris en marineofficier Harry Moorman in de periode 1949–1959 speelde, maar dat geldt eigenlijk voor de gehele periode. Daarmee zijn Van der Peets eerste twee onderzoeksvragen duidelijk beantwoord, terwijl ook de passages over de uitermate nauwe relatie van de Koninklijke Marine met de Royal Navy instructief zijn. De auteur lijkt vooral in zijn element in de casestudies. Met name de studie over de inzet van de Koninklijke Marine tijdens en na de Korea-oorlog, die mede is gebaseerd op niet eerder door Nederlanders bestudeerd archiefmateriaal, is boeiend en interessant.

Toch heeft Out-of-Area iets onbevredigends. Hoe rijk het boek ook is en hoe treffend Van der Peet het krijgsmachtdeel ook typeert, de gekozen opzet leidt tot onnodige herhalingen. Het was verstandiger geweest de studie chronologisch op te zetten. Dan had de auteur per periode het buitenlands beleid, het defensiebeleid en het marinebeleid gezamenlijk kunnen analyseren, eventueel aangevuld met casestudies ter illustraties. De door Van der Peet gekozen structuur leidt ertoe dat, om een voorbeeld te geven, ideeën binnen de Marine over de relatie van dat krijgsmachtdeel met Nederlands-Indië in de inleiding worden besproken (waar ze dienen als rechtvaardigingsgrond voor het onderzoek), opnieuw aan de orde komen in het hoofdstuk over het Nederlandse buitenlandse beleid en een prominente plek krijgen in het hoofdstuk over de strategische ideeën van de Marine.

Daarnaast is de bespreking van de voor het onderzoek gebruikte bronnen te summier. Zo miste ik argumentatie achter de keuze voor de in het onderzoek betrokken kranten, terwijl achter de droge vermelding van ‘de memoires’ (23) van leidende figuren in de onderzochte periode tal van methodologische problemen schuil gaan die ik graag onderkend had gezien. De historiografische beschouwing over het Nederlandse buitenlandse beleid is eveneens mager. Het werk van Duco Hellema passeert even de revue, maar Out-of-area steunt wat betreft de inkadering vooral op de verouderde en veelvuldige weerlegde ideeën van Joris Voorhoeve over tradities in de Nederlandse buitenlandse politiek. Die keuze is begrijpelijk, omdat het denken in termen van tradities verwantschap heeft met het denken in geopolitieke constanten, dat prominent figureert in strategievorming. Juist dat is waar Van der Peet naar op zoek is. Maar de verklarende waarde van Voorhoeves tradities is beperkt. Ze verklaren niet de discrepanties in het beleid, of de bureaupolitiek binnen de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. Bieden ze dan een gemeenschappelijk referentiekader? Dat blijkt niet uit de discussies over strategische prioriteiten, die soms ook binnen de Marine woedden. Het was een kleine moeite geweest om literatuur te bestuderen die het traditiediscours als discours behandelt: een manier om over het buitenlands-en veiligheidsbeleid te praten en daarbinnen de eigen prioriteiten te verkopen, iets waar de Marine uitermate goed in slaagde.

De conclusie dat de Marine ook in tijden van politieke tegenwind in staat bleek een eigen koers te varen (excuseer de maritieme beeldspraak waarvan ook Van der Peet zich overvloedig bedient) is uitermate fascinerend, maar de verklaring waarom dat zo was blijft helaas wat vaag. Trok de Marine het primaat van de politiek in twijfel? Lag het aan de nauwe band van de Marine met de Royal Navy? En waarom lukte het de Landmacht of de Luchtmacht veel minder goed dan de Marine een eigen lijn te volgen? Werden de andere krijgsmachtdelen in de onderzochte periode feitelijk met meer tegenwind geconfronteerd (maar ervoer de Marine dit anders)?

Ondanks deze kanttekeningen is Out-of-Area echter een waardevolle bijdrage aan de geschiedschrijving van ons oudste krijgsmachtdeel.