Titel en ondertitel van Dick de Mildts boek geven niet veel prijs over de inhoud. Wie de inhoudsopgave bekijkt, constateert dat zelfs de concrete term ‘drieluik’ misleidend is, omdat een vierde essay als ‘Excurs’ is toegevoegd. Behalve het eerste hoofdstuk cirkelen de opstellen om de persoonlijkheden en de motieven van de daders, de uitvoerders van de Holocaust. Kroongetuigen zijn – het zal geen verbazing wekken – Hannah Arendt met haar visie op de banaliteit van Eichmanns beweegredenen en Gitta Sereny, die zich verdiepte in de persoonlijkheid van Franz Stangl, de commandant van Treblinka. Daarnaast baseert de schrijver zich op zijn eigen onderzoek naar de naoorlogse processen tegen de daders van het ‘euthanasie’-programma (het massaal doden van gehandicapten en mensen met erfelijke ziekten in nazi-Duitsland) en van Aktion Reinhard, waar hij in 1996 op promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam.

Verbijstering over het gegeven dat mensen die hun beroepsleven in dienst hadden gesteld van het helpen van anderen (zoals artsen en verpleegsters), zich net als weldenkende, hoogopgeleide burgers als rechters en advocaten lieten inzetten bij de massamoord op mensen van wie zij heel goed wisten dat zij onschuldig waren, ligt ten grondslag aan dit hele boek, zoals waarschijnlijk ook aan al het eerdere onderzoek van De Mildt.

Een gangbare verklaring is dat de daders van de Holocaust door jarenlange, intensieve propaganda ervan overtuigd waren geraakt dat Joden economisch, politiek én genetisch het wezen en het voortbestaan van het Duitse volk bedreigden. De Joden vormden een vijand die bestreden en uitgeroeid moest worden. Dit is het verklaringsmodel dat historici als Lucy Dawidowicz en Daniel Goldhagen aanhouden. De Mildt laat daarentegen overtuigend zien dat de ‘daders’, zowel de bureaumoordenaars als de kampbewakers, in de eerste plaats gedreven werden door egoïstische en opportunistische – inderdaad: banale – motieven. Het vermijden van militaire inzet aan het front, promotie maken, angst voor maatschappelijke uitstoting en sociaal isolement bij niet-gehoorzamen, dit waren factoren die een mogelijk opspelend geweten tot zwijgen brachten. Dat het merendeel van de daders ‘gewone’ mensen waren, die zich na de oorlog, voor zover niet meteen berecht, weer gemakkelijk voegden in de burgermaatschappij en veelal gewaardeerde leden van de plaatselijke gemeenschap werden, is moeilijker te accepteren dan dat zij pathologische sadisten of ideologisch gedreven, doorgewinterde antisemieten waren geweest. Juist slachtoffers en hun nabestaanden willen daar maar moeilijk aan, want zonder enige echte reden de dood worden ingejaagd is al erg genoeg, maar dat dat dan ook nog gebeurt uit opportunisme en door middelmatige mensen, maakt de zaak helemaal onverdraaglijk. Onze intuïtie zegt ons dat een uitzonderlijk kwaad moet voortkomen uit uitzonderlijke motieven. Daarin zou ook de verklaring liggen voor de sterke weerstand die Hannah Arendt met haar these over de banaliteit van het kwaad opriep. Het is duidelijk dat Arendt in Dick de Mildt een stevige verdediger vindt, die daarbij en passant met Bram de Swaan en Bettina Stangneth in discussie gaat. Maar ook De Mildt zal de controverse rond Hannah Arendt niet beslechten.

De drie dader-essays worden voorafgegaan door een tekst die kennelijk de aanleiding tot het boek vormde. Uit een brief die De Mildt vermoedelijk al kende als historische bron, bleek dat Gerard van der Hal, de schrijver ervan, gewoond had in de Utrechtse wijk Oog in Al, vlakbij waar de auteur zelf heeft gewoond. Dat bracht hem ertoe de geschiedenis van Van der Hal uit te zoeken, wat niet meeviel met de schaarse gegevens die hem ter beschikking stonden. De Joodse Van der Hal maakte in 1940 als achtentwintigjarige soldaat de strijd om de Grebbeberg mee. Anderhalf jaar later schreef hij er een verslag van zeven pagina’s over, bedoeld voor de Generale Staf van het leger. De Mildt neemt dit verslag in zijn geheel over, en terecht, want het is levendig geschreven en geeft een boeiende en schokkende inkijk in de chaos van die eerste vijf oorlogsdagen. Van der Hal raakte zwaar gewond, maar overleefde op het nippertje. Eén been moest worden afgezet en het andere kon hij door een verbrijzelde voet nauwelijks gebruiken. In oktober 1942 schreef hij een brief aan de Duitse generaal Christiansen, of hij als oorlogsinvalide vrijgesteld kon worden van ‘emigratie’. Ook die brief is bewaard gebleven. Er staat met rood potlood op geschreven: ‘Jud ist Jud, ob mit, oder ohne Beine, und wenn wir den Juden nicht besiegen u. ausschalten, dann schaltet er uns aus.’ Het verzoek werd afgewezen, zonder dat Christiansen het ooit gezien heeft. In april 1943 werd Van der Hal met zijn vrouw Klaartje en zevenjarige zoontje Benjamin naar Vught gedeporteerd. In juni gingen de ouders mee met Benjamin in het beruchte Kindertransport dat via Westerbork in Sobibor eindigde.

Met deze microgeschiedenis beoefent De Mildt een ander genre dan in de overige essays, maar dat hij het boek er mee opent, is veelzeggend en functioneel. De uiteenzettingen over de daders en hun motieven die erop volgen, kun je daardoor niet langer als abstracte verhandelingen lezen. Door het verhaal over de lotgevallen van dit jonge gezin krijgen de slachtoffers een gezicht en een stem, en waar hun eigen getuigenis ontbreekt, zoals in Vught en Westerbork, spreken andere, bekende getuigen als Philip Mechanicus en Etty Hillesum voor hen. Citaten uit hun werk geven, bijvoorbeeld, een indruk van de aankomst van het Kindertransport in Westerbork. Aan de hand van rechtbankstukken wordt zelfs de wijze waarop zij in Sobibor aan hun einde kwamen weergegeven. Om te benadrukken dat het hier om gewone en onschuldige mensen ging, duidt De Mildt hen frequent aan als ‘mijn straatgenoten’. Dat woord krijgt echter in de loop van het boek ook nog een andere lading. De pointe van Straatgenoten is immers dat de massamoordenaars die de Holocaust uitvoerden ook gewone mensen waren, die in andere omstandigheden dan de onrechtstaat die nazi-Duitsland was, eerzame burgers waren geweest die geen vlieg kwaad hadden gedaan. Niet voor niets eindigt de schrijver met een hartstochtelijk pleidooi voor de rechtsstaat, ‘de indrukwekkendste uitvinding die de mens in zijn speurtocht naar collectieve zelfbeheersing ooit wist te verzinnen’. Het is een oproep waar politici die de instituties van de rechtsstaat graag bespotten of verdacht maken zich wel iets van aan mogen trekken.

De Mildt neigt tot het gebruik van een wat omslachtige schrijfstijl met soms nogal idiosyncratische termen. Zo gebruikt hij ‘Laöcoons’ om het waanbeeld van de nazi’s aan te duiden dat Duitsland in de greep was van een bedreigend en verstikkend Jodendom en staat de naam Palmström voor het gevoel dat iets niet zo is, omdat het niet zo zou mogen zijn, naar een voor kenners van de Duitse literatuur bekend citaat van Christian Morgenstern. Die laat het personage Palmstöm uit zijn gelijknamige dichtbundel zeggen: ‘Weil nicht sein kann, was nicht sein darf.’ Wie zich door deze eigenaardigheden echter niet laat afschrikken vindt in deze kleine bundel essays over de Holocaustdaders rijke, maar verontrustende stof tot nadenken.