Op 22 december 1988 nam Johanna Maria van Winter afscheid als hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Dertig jaar later is ze nog steeds actief als onderzoeker en rapporteert ze nog regelmatig haar bevindingen aan zowel academici als historisch geïnteresseerden. In 2017 publiceerde Van Winter ter gelegenheid van haar negentigste verjaardag Middeleeuwers in drievoud. Hun woonplaats, verwantschap en voeding. Deze bundel bevat haar verzamelde publicaties uit de periode 2007–2017 die eerder verschenen in internationale congresbundels en vaktijdschriften en op publiekswebsites (vensteropdevecht.nl; isgeschiedenis.nl). Anderstalige publicaties vertaalde Van Winter voor deze bundel naar het Nederlands. Na een terugblik op haar loopbaan als historica, volgen achtentwintig bijdragen over topografie, adel en voeding.

De eerste vijf artikels concentreren zich op de topografie van stad en provincie Utrecht en gaan over uiteenlopende onderwerpen als de territoriale machtsverhoudingen in de Vechtstreek tijdens de middeleeuwen en de laatmiddeleeuwse vestigingsgeschiedenis van het Utrechtse gasthuis Leeuwenbergh. Verwantschapsbanden van adel en ridderschap in de Noordelijke Nederlanden tijdens de vroege en volle middeleeuwen staan centraal in de volgende vijf essays. Van Winters interesse in dit thema kwam al naar voren in haar proefschrift uit 1962 over ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen. Een in de bundel opgenomen artikel over adel en ridderschap in Gelre tussen de tiende en de dertiende eeuw sluit duidelijk aan bij dit promotieonderzoek. In de studie van Van Winter en Luit van der Tuuk over de overgang van het Deense naar het West-Friese bewind in de Nederlandse kustregio’s is ook het thema ‘topografie’ geïntegreerd. Dit maakte het voor de beide auteurs mogelijk om op zoek te gaan naar de machtsbasis van de heersers in Kennemerland, die ze in Egmond situeren. Door de complexiteit van de materie zijn de bijdragen over de adellijke verwantschapsbanden soms moeilijk te volgen voor iemand die niet vertrouwd is met de specifieke context ervan.

Tijdens het vorige decennium lag het zwaartepunt van Van Winters onderzoek bij voeding en gezondheid in de middeleeuwen. De overige achttien artikels in de bundel gaan dan ook over dit thema. Dit deel van het boek is het meest divers en bevat bijdragen over de middeleeuwse eetcultuur en gezondheidsleer, maar evenzeer over de hedendaagse perceptie daarvan. De lezer krijgt zelfs enkele authentieke middeleeuwse recepten voorgeschoteld. Waar de artikels uit het eerste en tweede deel van de bundel zich concentreren op respectievelijk Utrecht en het huidige Nederland, verruimt Van Winter hier haar blik en plaatst ze haar onderzoek in een ruimere Europese context. Verschillende hoofdstukken gaan over de regimina sanitatis, een literair genre met culinaire richtlijnen en gezondheidsregels die per maand of seizoen zijn geordend. Daarbij komt Van Winter tot de conclusie dat de vroegmiddeleeuwse regels per maand, in tegenstelling tot de latere seizoenvoorschriften, geen culinaire functie hadden en dat ze evenmin te bestempelen zijn als ‘kloostergeneeskunde’, zoals vaak wordt aangenomen (306–307). Volgens van Winter waren die bedoeld voor de lichamelijke reiniging van clerici met het oog op de heilige dienst van de liturgie.

De titel van het boek Middeleeuwers in drievoud is ruim en daardoor mogelijk wat misleidend. ‘Gewone middeleeuwers’ staan niet centraal in deze bundel. In de bijdragen over verwantschapsbanden van de adel is dit vanzelfsprekend, maar in het deel over topografie gaat de auteur in op territoriale machts- en bezitsverhoudingen van heren en religieuze instellingen en niet op gewone woonhuizen. In dit geval kan het titelwoord ‘woonplaats’ lezers op het verkeerde been zetten. In de artikels over voeding ligt de nadruk eveneens op de hogere strata van de middeleeuwse samenleving. Van Winter merkt zelf meermaals op dat de middeleeuwse kookboeken waarop ze zich beroept enkel ‘de recepten van de bovenlaag van de bevolking’ bevatten (336). Daarenboven is het nog maar de vraag wie het daadwerkelijke publiek was van de verschillende voedings- en gezondheidsvoorschriften.

Doorheen de hele bundel beroept Van Winter zich op een breed scala aan bronnen, van Karolingische oorkonden over hoogmiddeleeuwse necrologia tot zestiende-eeuwse kookboekjes. Daarnaast heeft ze oog voor de inbreng van andere disciplines. In het artikel over de verhouding tussen Utrecht en Dorestad tijdens de vroege middeleeuwen schetst ze de ontwikkeling van het Utrechtse Domplein op basis van onder meer de resultaten van recente archeologische opgravingen. In het onderzoek naar voeding speelt de iconografie een rol, zoals in het essay over de allegorische betekenis van een zeventiende-eeuws stilleven. Ook de digital humanities laten hun sporen na in het werk van Van Winter. Zo steunt ze op het Utrechtse HisGis van Ad van Ooststroom voor haar analyse van de bezitsverwerving door religieuze instellingen in het Nedersticht tijdens de vroege en volle middeleeuwen. Het is jammer dat de GIS-kaart met bezitsverhoudingen die het uitgangspunt voor deze studie vormt niet werd opgenomen.

Een grote diversiteit kenmerkt het boek dus op het vlak van onderwerpen, bronnen, invalshoeken en methoden. Wat betreft de wetenschappelijke kwaliteit zijn de verschillende teksten evenzeer divers. Af en toe vertrekt Van Winter vanuit een concrete onderzoeksvraag, zoals: welke rol speelde de bisschop bij de stichting van de elfde-, twaalfde- en dertiende-eeuwse kloosters en kapittels? (75), of: hoe moeten we ons de overgang van het bewind van de Denen naar de Westfriese graven voorstellen? (105) en: zijn de Regimina duodecim mensium als kloostergeneeskunde te beschouwen? (305). Meestal hebben de artikels echter een behoorlijk descriptief karakter. Soms valt dat te verklaren doordat de teksten uit hun oorspronkelijke context zijn gelicht. De zeer beschrijvende bijdrage over IJsselstein was bijvoorbeeld oorspronkelijk een lemma in een naslagwerk.

In de meeste artikels ontbreekt bovendien een expliciete situering van het onderzoek in de bredere historiografie. Wanneer Van Winter wel in discussie treedt met andere auteurs, gaat het vaak om specialistische debatten over concrete problemen, zoals de identificatie van een bepaalde persoon of de interpretatie van een toponiem. Van Winters hypothese over de gezondheidsregels per maand, waarmee ze zich duidelijk afzet tegen eerdere interpretaties van deze bron, vormt een uitzondering. Meestal blijft het echter onduidelijk wat de relevantie of het vernieuwende van Van Winters studies is ten opzichte van de bestaande historiografie.

Eerder dan voor een academisch publiek lijkt deze bundel mij dan ook vooral relevant voor een breed publiek van historisch geïnteresseerden. ‘Dit is een bundel,’ aldus Van Winter, ‘voor een Nederlandstalig lezerspubliek over een drietal aspecten van de eigen vaderlandse geschiedenis in breed Europees en zelfs Euro-Aziatisch verband’ (7). Van Winter heeft zich gedurende haar hele loopbaan beziggehouden met de vertaalslag van het historisch onderzoek naar de bredere samenleving door publieksgerichte publicaties en activiteiten. Dit komt duidelijk naar voren uit het interview met Van Winter dat ook is opgenomen in deze bundel (429–433). De bijdragen over de adel mogen dan nogal specialistisch zijn, de artikels over voeding zijn goed toegankelijk voor een breed publiek en zullen menig historisch geïnteresseerde boeien. Ook deze bundel zal dus ongetwijfeld op een ruime belangstelling kunnen rekenen.