Misschien was het toeval, maar bij het binnenwandelen van het Huis van de Europese Geschiedenis viel het mij op. Eerst werd mij gevraagd welke taal ik verkoos (Engels, Frans, Nederlands, Duits of één van de andere vierentwintig talen van de Unie), dan pas werd mij de weg gewezen naar de tentoonstellingen. Altijd gewend om in een internationale context hetzij Frans, hetzij Engels te spreken, wist ik niet meteen welke taal te kiezen. Voorzichtig dus al bij de ingang, het Huis van de Europese Geschiedenis.

Even voorzichtig als de verwelkoming die ik hier kreeg, zijn de ambities van de grote vaste tentoonstelling van het nieuwe museum. Terecht maakt dit nieuwe museum niet de keuze om elk Europees land apart in beeld te brengen, maar wel om een gedeelde geschiedenis en herinneringen vanaf 1789 te tonen. Wat het museum ook anders maakt dan de meeste nationale musea in Europa is de keuze om het over herinneringen en tegenherinneringen te hebben. Niet alle Europeanen hebben dezelfde herinneringen aan het Europese verleden. Europeanen delen vooral een reservoir aan herinneringen en al naargelang het politieke klimaat in elk land of in Europa als geheel krijgen bepaalde representaties van het verleden de bovenhand. In dit essay tast ik af in hoever het Huis van de Europese Geschiedenis een transnationaal museum is dat meer biedt dan een optelsom van nationale geschiedenissen, maar ik tast vooral ook af of het museum zijn ambitie realiseert om een open huis te zijn voor een veelheid van herinneringen en tegenherinneringen van Europa. Want dat is voor elk museum rond politieke geschiedenis een grote uitdaging.

Het Huis van de Europese Geschiedenis, foto door Benoit Bourgeois, 14 juni 2017. ©Europese Unie.

Een meerstemmige ambitie

Het Huis van de Europese Geschiedenis kan onmogelijk een geheel neutraal museum zijn. Net als andere Europese instellingen en het Europese Parlement, dat het initiatief nam tot het museum, heeft het Huis de Europese integratie tot doel. Totale neutraliteit is ook eerder een ideaal dan de werkelijkheid in nationale musea en in vele andere musea, zoals stedelijke musea, kunstmusea of privémusea, omdat al deze instellingen al dan niet expliciet een welbepaalde missie nastreven. Wat musea vooral kunnen en altijd zouden moeten doen, is reflectie en openheid inbouwen, door ruimte te creëren voor verschillende visies en door de eigen positie transparant te maken.1 Die mogelijkheid heeft het Huis voor de Europese Geschiedenis aangegrepen door niet alleen historische feiten te presenteren, maar ook de verscheidene herinneringen van dat verleden in beeld te brengen. Het museum wil niet zozeer één geschiedenis, maar wel een gemeenschappelijk vat van herinneringen voor Europa creëren.

Dit is alleszins een relevante keuze, ook vanuit politiek oogpunt. De Europese instellingen kampen al jaren met een democratisch deficit. Zoals cultuursocioloog Pascal Gielen stelt, is een van de redenen van het technocratische imago van Europa het gebrek aan Europese cultuurpolitiek. De Europese Unie richt zich tot vandaag vooral op de economische opbrengst van cultuur, bijvoorbeeld door het stimuleren van cultuurtoerisme. Rond de mogelijke politieke winst van cultuur bedacht Europa tot nu veel minder projecten. Het investeren in cultuur lijkt nochtans cruciaal voor de versterking van de betrokkenheid van burgers bij de Europese Unie en bij het politieke debat in de Unie. Een interessante gedachte van Gielen is dat het Europese cultuurbeleid het democratische basisgedrag zou moeten stimuleren. De kern van democratie is dat een verkozen meerderheid regeert, maar daarbij altijd minderheden respecteert en steunt, en dat meerderheid en minderheden een gemeenschappelijk verbeelde ruimte delen. Een cultuurbeleid kan die democratische waardes stimuleren door niet één homogeen canon te presenteren, maar integendeel open te staan voor een diversiteit van stemmen. Het Huis van de Europese Geschiedenis lijkt alvast een meerstemmige ambitie te hebben, door verschillende zienswijzen op het Europese verleden te presenteren en een aantal verdrongen geschiedenissen van minderheden in beeld te brengen.2

Een canon met openingen

Mogelijk dachten de curatoren het langst over het eerste luik van het museum ‘De vorming van Europa (Shaping Europe)’ over de mythe van Europa, de deels vage grenzen van Europa en de veronderstelde waarden. Daar is de selectie van kunstvoorwerpen en historische objecten uitgepuurd en krijgt de bezoeker vragen in plaats van antwoorden. Wat zijn de grenzen van Europa? Welke waarden heeft Europa, waar naast de rechtstaat ook terreur een lange traditie heeft? Het museum maakt zijn politieke missie wel duidelijk. Het wil doen nadenken over welke zaken uit het verleden we in Europa moeten behouden en welke zaken er moeten veranderen.

Als historicus in dit huis van het Europese Parlement bleef ik na deze introductie toch op mijn hoede: nu komt vast de canon. Het tweede hoofdstuk ‘Europa. Een mondiale grootmacht (1789-1914) (Europe: A Global Power)’ is inderdaad een feitenrelaas over het negentiende-eeuwse nationalisme, het kapitalisme, de wereldhandel en het kolonialisme. Er wordt kritisch teruggeblikt op het koloniale superioriteitsgevoel, maar zonder open vragen voor de bezoeker. Bij elk subthema hebben de curatoren een mix van objecten uit verschillende landen van Europa geselecteerd. Objecten uit Belgische en Nederlandse collecties, bijvoorbeeld van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, of het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, zijn goed vertegenwoordigd, omdat die wellicht gemakkelijk te bruiklenen waren. Toch hebben de Lage Landen niet het overwicht in het geheel. Er is integendeel duidelijk gestreefd naar een evenwicht tussen Oost- en West-Europese objecten en verhalen. Zo vind je de eerste grondwet van België en Hongarije, naast de Nederlandse versie van de codex ‘Napoleon’. Dat is verhelderend en aangrijpend, ook voor mij als geschoold historicus. Want ook als je weet dat die evoluties in vele Europese landen gelijklopend waren, doet het iets om die verscheidenheid van West- en Oost-Europese talen echt te zien. Hier voel je de potentie van dit nieuwe museum om nieuwe visuele herinneringswijzen van Europa te stimuleren.

Het derde hoofdstuk ‘Europa in puin, 1914-1945 (Europe in Ruins)’ brengt een uitgebreid verhaal over de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Bij het wapen waarmee de Bosnisch-Servische nationalist Gavrilo Princip de moord pleegde die de Eerste Wereldoorlog deed losbarsten, is de zaaltekst erg relativerend. Je leest er dat historici nog altijd discussiëren over de oorzaken van de Grote Oorlog. Voor de meeste Europeanen zal dit aansluiten bij hun intussen afstandelijke kijk op de oorlog van een eeuw geleden. De vertelwijze wordt minder observerend in de presentaties over nazisme, stalinisme en de Tweede Wereldoorlog. De vergelijking van nazisme en stalinisme is visueel en inhoudelijk goed onderbouwd en gaat zowel over verschillen als gelijkenissen. Ze is natuurlijk functioneel en impliceert een politieke keuze, omdat de Europese eenmaking een antwoord op deze dictatoriale regimes en op de gruwel van de Tweede Wereldoorlog was. Niet onbelangrijk in de Unie van vandaag is ook dat deze vergelijking Oost- en West-Europa met elkaar verbindt. Het Huis van de Europese Geschiedenis schrijft dus toch zijn eigen geschiedenis.

Dat gebeurt ook in het vierde hoofdstuk van de vaste tentoonstelling ‘Wederopbouw van een verdeeld continent (Rebuilding a Divided Continent)’ dat eveneens erg uitgebreid is. Ook hier valt op hoe consequent de curatoren objecten en geschiedenis uit West- en Oost-Europa samen presenteren, als het gaat over wederopbouw, Koude Oorlog, en de invloed van de Oost- en West-Europese staten op de levensstandaard na de Tweede Wereldoorlog. De presentatie met een aantal maquettes en gebruiksvoorwerpen, waaronder een auto, de Zastava 750 uit voormalig Joegoslavië, doet wat denken aan het DDR Museum in Berlijn. Een thema dat hier onterecht ontbreekt, is de massale arbeidsimmigratie en immigratie uit ex-kolonies naar West-Europa. Dat is verrassend, omdat eerder in het parcours de diversiteit in de legers van de Eerste Wereldoorlog en de massale emigratie uit Europa aan het eind van de negentiende eeuw wel in beeld komt. Is dit onderwerp geschrapt, omdat het te eenzijdig betrekking had op West-Europa? Of omdat het thema te veel raakt aan de actuele uitdagingen rond superdiversiteit in Europa, die het museum ook verder in het parcours weinig in beeld brengt?

Zaal van het vierde hoofdstuk van de vaste tentoonstelling, ‘Wederopbouw van een verdeeld continent’ (‘Rebuilding a Divided Continent’). Foto door Didier Bauweraerts, 6 mei 2017. ©Europese Unie.

In dit hoofdstuk worden ook de eerste fundamenten van de Europese eenmaking in beeld gebracht, van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1951) tot de toetreding van Ierland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk in 1973. Het erfgoed van deze pioniersjaren, onder meer affiches, pamfletten en korte manifesten in boekvorm, is bescheiden en had misschien door een andere presentatiewijze wat meer aandacht kunnen krijgen. De aandachtige bezoeker leert wel dat de Europese eenmaking ondanks de honger naar vrede en de dreiging van de Koude Oorlog een traag diplomatisch proces was. Denk bijvoorbeeld aan de late toetreding van het Verenigd Koninkrijk door het aanvankelijke ‘nee’ van Frankrijk. Misschien hadden de diplomatische avonturen van de pioniers meer belicht kunnen worden. Nu worden ze overstemd door de televisie die het ‘kitchen debate’ van Nixon en Chroesjtsjov uit 1959 uitzendt.

In de andere hoek van de zaal, in de schaduw van het kleurrijke geheel van objecten over de levenstandaard, staat ten slotte een goed gedocumenteerde presentatie over de lange tijd van zwijgen over de Shoah in zowel West- als Oost-Europa na 1945 tot de jaren 1970. Een filmfragment uit de documentaire Le chagrin et la pitié van Marcel Ophüls van 1969 in deze presentatie is vanuit hedendaags standpunt werkelijk ontluisterend, vanwege de zware minimalisering van het aantal Franse slachtoffers van de Shoah. Het gaat hier om een interview met René de Chambrun, de schoonzoon van premier Pierre Laval van het Vichy-régime. De Chambrun stelt dat het aantal Joden dat naar Frankrijk terugkeerde na de oorlog hoger lag dan in alle andere Europese landen. De interviewer bekritiseert deze stelling rustig door erop te wijzen dat hij enkel rekening houdt met de Joden met Franse nationaliteit en niet met het grote aantal Joden in Frankrijk met een andere nationaliteit en met de Franse Joden die werden gedenaturaliseerd. In deze presentatie komt de ambitie van het museum duidelijk op de voorgrond om geen te glad canon van de Europese geschiedenis te creëren, maar wel een reservoir aan te leggen van Europese herinneringen en kritische tegenherinneringen. Deze bijzonder relevante benadering van de herinnering aan de Shoah is echter geen risicovolle onderneming, omdat het zwijgen intussen voorbij is en het debat volop gevoerd wordt. De vraag is of het museum de moed en mogelijkheid zal hebben vormen van zwijgen te belichten waarover nog geen breed publiek debat gaande is en die politiek gevoeliger liggen.

Dat brengt mij bij het vijfde hoofdstuk van de vaste tentoonstelling, ‘Afbrokkelende zekerheden (Shattering Certainties)’ over de recente geschiedenis van de jaren 1970 tot vandaag. De titel van dit hoofdstuk is niet ideaal, want tijdens de economische crisis vanaf de jaren 1970 en na de politieke revoluties van 1989 breidt de Europese Unie geografisch sterk uit en neemt het aantal Europese instellingen een hoge vlucht. ‘Breaking Boundaries’, zoals het hoofdstuk in een vorig concept werd genoemd, zou een logischere titel zijn.3 De objecten en thema’s zijn goed gekozen, maar een strengere selectie had geen kwaad gekund. Televisiebeelden van de Engelse mijnstakingen en het neoliberalisme van Thatcher confronteren de bezoeker met de economische crisisjaren en de teloorgang van de zware industrie. Nieuwe sociale en politieke bewegingen rond gender, ecologie en vrede komen in beeld met onder meer ‘Dawn (noire)’ van kunstenaar Niki de Saint Phalle. De weinig flatterende kast rond dit kunstwerk was beter weggelaten. Het einde van de dictaturen in Portugal, Griekenland en Spanje wordt gepresenteerd, maar sprekender zijn de objecten die verwijzen naar de politieke revoluties van 1989 en de beelden van de oorlog in ex-Joegoslavië. Naast affiches en pamfletten vind je er illegaal gepubliceerde boeken of de wetsuit van iemand die van Oost- naar West-Berlijn vluchtte. Het meest trof mij de trui met kogelgaten van de zeventienjarige Radu Ionescu die werd neergeschoten door soldaten tijdens de Roemeense revolutie van december 1989.

Opnieuw wordt een aantal mijlpalen van de Europese eenmaking getoond, zoals het stempel van de Verklaring van Helsinki (1975) tussen het West- en Oost-Europese blok, over respect voor mensenrechten en samenwerking op voorwaarde van non-interventie in interne staatszaken. Door te onderstrepen dat de Helsinki-verklaring het mensenrechtendiscours van dissidenten van de communistische regimes stimuleerde, heeft de curator in kwestie West- en Oost-Europa weer verbonden. De gestage uitbreiding van de instellingen, wetten, landen en talen van de Europese Unie vanaf het Verdrag van Maastricht van 1992 is minder sterk gevisualiseerd. De zakelijkheid van de scenografie bevestigt vooral het bureaucratische imago van de Unie. Een tentoonstelling zou net de ambitie moeten hebben om andere manieren van kijken mogelijk te maken en dat is hier niet gelukt. Te midden van de veelheid van informatie valt weinig op dat er ook kritischere visies op de Unie zijn opgenomen in de expo, zoals een Griekse protestvlag tegen de Europese besparingspolitiek sinds 2008.

Ook de presentatie rond herinneringen en tegenherinneringen in dit hoofdstuk is eerder ingehouden. Centraal staat de opening van de archieven van de voormalige communistische regimes en het herschrijven van de geschiedenis na 1989, onder meer door het aanpassen van schoolboeken of het neerhalen van monumenten. Het gegeven dat nationalistische Europese politici volop nieuwe versies van de geschiedenis creëerden tijdens de recente Europese vluchtelingencrisis of dat de islam in Europa voorwerp is van debat, lijken thema’s waar het museum voorlopig niet aan wil raken.

Het huis en zijn publiek

Naast de net beschreven vaste tentoonstellingszalen heeft het Huis van de Europese Geschiedenis nog een tijdelijke tentoonstelling op het gelijkvloers en de zesde verdieping. De tijdelijke expo, ‘Interacties’, is vooral een themapark van repro-objecten en spelletjes waar bezoekers culturele uitwisselingen in Europa, bijvoorbeeld wat betreft eten en taal, kunnen ontdekken. Eigenlijk komen er te veel thema’s aan bod en had ook rond één thema een diepgaandere, maar toch kindvriendelijke presentatie kunnen worden ontwikkeld. Op de zesde verdieping ten slotte wordt bezoekers in een aantal interactieve installaties gevraagd wat Europa voor hen betekent. Ze kunnen er ook een promo-achtige film over Brussel als Europese hoofdstad zien.

Deze delen van het museum verraden een wat eenzijdige strategie van publieksbemiddeling. In de vaste tentoonstelling moeten bezoekers vooral informatie opnemen door te kijken, lezen en soms luisteren. Ook de scenografie draagt bij tot een eenzijdige beleving bij bezoekers. Hoewel een mix van historische objecten, beelden en kunstwerken wordt getoond, is er nauwelijks mogelijkheid om die in je op te nemen. In plaats van interactieve installaties aan het einde van het parcours of spelletjes op het gelijkvloers, zou de spreiding van een aantal interactieve activiteiten over de zalen voor meer afwisseling in de beleving kunnen zorgen. Dan kan een diverser publiek, dus ook zij die niet graag lezen, betrokken geraken bij de inhoud van de presentaties.

Een moeilijkere uitdaging is de betrokkenheid van het publiek stimuleren bij de grote oude en nieuwe politieke debatten in Europa, ook de debatten waarover geen grote eensgezindheid werd bereikt. Positief is dat op de zesde verdieping objecten van voor- en tegenstanders van de Brexit liggen, maar ten aanzien van de Brexit is de eensgezindheid binnen de Europese Unie zelf groot. Complexere debatten met meer interne tegenstellingen zoals deze rond de Europese grondwet of het vluchtelingenbeleid worden niet ontleed. Dit gebeurt mogelijk wel in de onderwijswerking, maar als individuele bezoeker krijg je niet de indruk dat het museum een stimulerend platform voor participatie van burgers aan het democratisch debat over Europa wil zijn. Dat gevoel geven ook de al te abstracte vragen in de interactieve installaties op de zesde verdieping, zoals ‘Wat is Europa?’, ‘Waardoor voelt u zich “Europees”?’ en ‘Wat is ons Europees erfgoed?’

Het voorzichtige huis

In aanloop naar de opening van het Huis van de Europese Geschiedenis is in en buiten het Europese parlement gedebatteerd over de relevantie van het project en de vraag of een museum oprichten wel de taak is van het Europese Parlement. Over de relevantie twijfel ik niet, zoals ik al schreef in de inleiding. Dat het Europese Parlement het initiatief nam, is bij gebrek aan een uitgebouwd Europees cultuurbeleid misschien voorlopig de best mogelijke werkwijze. Het hoeft ook niet te betekenen dat het beheer van het museum bij het Europese Parlement blijft.

Het is duidelijk dat het samenbrengen van West- en Oost-Europese geschiedenissen en herinneringen prioritair is geweest bij de ontwikkeling van de vaste tentoonstelling. Het museum creëert een nieuwe, gemeenschappelijke ruimte voor de transnationale geschiedenis, representaties en herinneringen van Europa. Het museum informeert bezoekers vanuit dat kader, maar stimuleert ook op een visueel vlak nieuwe herinneringen van Europa. Dat is binnen het Europese museumlandschap vernieuwender dan het lijkt. De laatste twee decennia zijn de aanblik en de bezoekcijfers van Europese musea drastisch verbeterd door investeringen in architectuur, marketing, communicatie, educatie en participatie. Ondanks deze vernieuwingen hanteren vele nationale en regionale musea een afgebakend geografisch kader dat lijkt op dat van de eerste negentiende-eeuwse musea. Er is wel een zichtbare tendens om binnen die nationale en regionale kaders meer transnationale verhalen te vertellen aan de hand van thema’s als handel, culturele uitwisseling, migratie en kolonisatie.4 Niettemin is het Huis voor de Europese Geschiedenis een relevante, complementaire tegenhanger voor de vele nationale en regionale musea in Europa. Het zou die complementaire rol nog meer kunnen spelen, met een consequentere aandacht voor de wijze waarop migratie Europa en de Europese politiek heeft gevormd. Vooral de immigratie van gastarbeiders na 1945 en de superdiversiteit in Europese steden door postkoloniale en andere internationale migraties zijn weinig zichtbaar. Dat maakt het voor al wie nakomeling is van deze migraties – denk alleen al aan de bevolking van de stad Brussel – niet vanzelfsprekend om zich te verbinden met het museum. Zo wordt de actuele culturele diversiteit van Europa op de vijfde verdieping opgeroepen met mooie uitspraken van schrijvers over taal en migratie. Religie blijft in dat kader echter opvallend onbelicht.

Wat betreft de tweede ambitie om een open huis voor herinneringen en tegenherinneringen van Europa te zijn, kom ik tot de conclusie dat ze voorzichtig en ingehouden wordt gerealiseerd. Bezoekers ontdekken in het museum wel de tegengestelde herinneringen van de Shoah, het communisme en de voor- en tegenargumenten van de Brexit. Ze worden echter beperkt geconfronteerd met debatten waarover minder eensgezindheid is binnen de Unie, zoals deze aangaande de grondwet, de vluchtelingenproblematiek, islam in Europa of de economische politiek van Europa. Het is begrijpelijk dat het Huis van de Europese Geschiedenis geen arena wil zijn van het lopende politieke debat. Toch lijkt het mij mogelijk dat het museum zijn bezoekers actiever betrekt bij de grote politieke uitdagingen van de Europese Unie, zowel de oude als de actuele. De interactieve installaties zouden daarop concreter kunnen ingaan, maar ook andere vormen van participatieve publieksbemiddeling. In goede richting ging alvast het uitnodigen van een aantal schrijvers, historici en journalisten uit heel Europa om gids voor een dag in het museum te zijn en hun eigen interpretaties van het jaar 1918 en zijn gevolgen te vertolken.5 Ook zou het museum meer verbanden kunnen leggen tussen historische en actuele debatten en zo inzicht kunnen aanreiken rond actuele politieke kwesties. Dit zou kunnen gebeuren voor de grote, transhistorische thema’s die Europa vorm geven, zoals nationalisme versus internationalisme en vrije markt versus regulering. Het lijkt mij een ideale strategie voor tijdelijke tentoonstellingen. Mijn wens is, anders gezegd, dat het museum voor deze heikele thema’s een safe place for unsafe ideas zou kunnen zijn en zo een opener huis voor de gemeenschappelijke verbeelding van Europa.