Bij een rondleiding in de Utrechtse universiteitsbibliotheek viel het de deelnemende eerstejaarsstudenten op dat de bibliotheek overvol was. Overal zaten studenten op hun laptop te werken. ‘De bibliotheek wordt erg veel gebruikt voor zelfstudie, maar van de boeken maakt bijna niemand meer gebruik’, zei de bibliothecaris. ‘Toch zijn we voorlopig niet van plan de kasten weg te halen om meer studieruimte te creëren. De boeken staan hier zo gezellig.’

Anekdotes als deze laten, hoe terloops ook, iets zien van grootschalige veranderingen die de boekenwereld de afgelopen jaren heeft doorgemaakt. Bibliotheken zijn van enigszins stoffige bewaarplaatsen van kennis veranderd in werkplekken waarin de koffiecorner en de stopcontacten belangrijker zijn dan de papieren collectie. Dat betekent niet noodzakelijkerwijs een achteruitgang: de traditionele leescultuur staat sterk onder druk, maar nieuwe initiatieven blazen de boekenwereld nieuw leven in. Zo slaagt het tijdschrift Das Magazin er niet alleen in om honderden jonge mensen op de been te krijgen voor literaire avonden en leesclubbijeenkomsten, maar lukt het de gelijknamige uitgeverij ook om via een crowdfundingsactie en hulp van het boekhandelspanel van het Nederlandse televisieprogramma De wereld draait door de ene bestseller na de andere te lanceren. Het is verleidelijk om te denken dat de literaire wereld nog nooit zo snel veranderde als nu – maar dat zou een miskenning zijn van de grote dynamiek die die wereld altijd gekenmerkt heeft.

De bundel Van hof tot overheid. Geschiedenis van literaire instituties in Nederland en Vlaanderen biedt een overzicht van de talloze gedaantes die ‘instituties’ – partijen die betrokken zijn bij de productie, distributie en consumptie van literatuur – in de afgelopen eeuwen hebben aangenomen. Het boek bespreekt in een inleiding en twaalf hoofdstukken onder meer politieke en religieuze instituties die zich met de literatuur hebben beziggehouden (het middeleeuwse hof en klooster, de moderne overheid), partijen die literatuur produceerden (de vroegmoderne drukker/boekverkoper, de uitgeverij), of organisaties en fysieke plekken waarin literatuur werd bediscussieerd en geconsumeerd (rederijkerskamers, genootschappen, bibliotheken, middelbaar en universitair onderwijs, et cetera).

Het boek overspant de gehele periode vanaf 1150 tot vandaag, en dat in ongeveer 350 pagina’s. Dat is ambitieus, zeker wanneer je je realiseert hoezeer de neerlandistiek in de afgelopen decennia versplinterd is: medio-neerlandici en kenners van de vroegmoderne en de moderne letterkunde zijn zowel theoretisch als methodisch steeds verder uit elkaar gegroeid. De samenstellers van deze bundel, Jeroen Jansen en Nico Laan, proberen deze kloof met een gedeeld theoretisch kader te overbruggen: de literatuursociologie. Deze traditie, in de neerlandistiek vooral bekend geworden in de vorm van Pierre Bourdieus veldtheorie, levert volgens de inleiders handvatten om alle verschillende instituties in hun samenhang te begrijpen. De veldtheorie zou niet alleen in staat zijn om literatuur consequent als het resultaat van een sociaal proces te analyseren, maar ook om literaire teksten zelf – en literatuuropvattingen die geldig zijn op het literaire veld – recht te doen.

Sinds de jaren tachtig is er zeker in Nederland veel en vruchtbaar gebruik gemaakt van de veldtheorie, bijvoorbeeld in de invloedrijke bundel De productie van literatuur. Het literaire in Nederland 1800–2000 (2006) van Gillis J. Dorleijn en Kees van Rees. In sommige artikelen uit Van hof tot overheid wordt zinvol voortgebouwd op deze literatuursociologische inzichten, bijvoorbeeld in de bijdragen van Lisa Kuitert over de moderne uitgeverij en in Nico Laans artikelen over de literaire kritiek en de literatuurwetenschap sinds de achttiende eeuw. Toch is het de vraag of deze benadering wel zo gemakkelijk op de gehele literatuurgeschiedenis vanaf 1150 toe te passen is. Zoals Jansen en Laan zelf ook opmerken, is de veldtheorie nadrukkelijk ontworpen om het literaire veld vanaf de negentiende eeuw te beschrijven. Voor een toepassing op eerdere periodes lijkt mij een grondige historische en theoretische herinterpretatie van de theorie noodzakelijk. Zo’n herinterpretatie ontbreekt in bijna alle artikelen van deze bundel en daardoor blijven cruciale vraagstukken onbesproken.

Zo wordt Bourdieus aanname dat een literair veld naar een relatieve ‘autonomie’ of onafhankelijkheid streeft nergens expliciet geproblematiseerd. De verhouding tussen schrijver, markt en machthebbers verandert echter ingrijpend door de eeuwen heen: het is de vraag of we van een onafhankelijk literair veld kunnen spreken in de middeleeuwen, wanneer literatuur vooral in de context van hoven en kloosters wordt geproduceerd. Sterker nog: begrippen als ‘literatuur’ of ‘letterkunde’ worden tot het einde van de achttiende eeuw niet of nauwelijks gebruikt, waardoor het spreken over een ‘literair veld’ of ‘literaire instituties’ sowieso anachronistisch aandoet. Ook bij de nationale oriëntatie van de literatuursociologie kunnen grote vraagtekens gesteld worden: hoe zinvol is het om vóór de instelling van de monarchie in de negentiende eeuw van een ‘nationaal’ veld te spreken? En is er vandaag de dag eigenlijk wél zo’n veld, nu de Nederlandse literaire markt nog altijd voor een belangrijk deel uit vertalingen bestaat? Zulke cruciale vragen zijn al wel gesteld door literatuursociologen als Gisèle Sapiro, maar ze hebben nog te weinig hun weerslag gekregen in het onderzoek van neerlandici. Dit boek, dat bijna uitsluitend over Nederland gaat en weinig internationale inzichten bespreekt – zelfs Vlaanderen komt er wat bekaaid van af – laat ze onvermeld.

Eén van de artikelen waarin de literatuursociologie en het literatuurbegrip wél kritisch tegen het licht worden gehouden, behoort meteen tot de hoogtepunten van de bundel: Arjan van Dixhoorns bijdrage over rederijkerskamers tussen 1400 en 1600. Hij gebruikt in dit hoofdstuk (cultuur)historische inzichten om de grenzen van de literatuursociologie te testen. Van Dixhoorn beargumenteert dat rederijkerskamers niet zozeer als voorlopers van moderne literaire organisaties begrepen moeten worden, maar als verenigingen die in een brede vroegmoderne kenniscultuur (consten en scientien) zijn ingebed. Dit hoofdstuk toont mooi aan hoe de cultuurgeschiedenis kan worden gebruikt om een beter inzicht in historische instituties te krijgen – en dat terwijl die traditie door Jansen en Laan in hun inleiding wordt neergezet als onsystematisch en minder bruikbaar dan de literatuursociologie.

Van hof tot overheid is door het gebrek aan theoretische consensus geen consequente literatuursociologische bundel geworden. Ook lijkt er geen samenhangend historisch verhaal in te worden verteld. De artikelen zijn eerder te lezen als bruikbare overzichten van wat men in de verschillende deelgebieden de afgelopen decennia te weten is gekomen. Sommige van de auteurs hebben zelf veel aan die kennisontwikkeling bijgedragen: zo zijn de artikelen van Thom Mertens en Willem van den Berg gebouwd op hun jarenlange onderzoek naar respectievelijk religieuze leespraktijken en genootschappelijkheid.

Het synthetiserende karakter maakt het boek heel nuttig, vooral voor studenten, maar het zorgt er tegelijk voor dat het boek weinig nieuw onderzoek bevat. Klaus Beekman is een van de weinigen die zijn mooie artikel over kunstsubsidies en overheidsbemoeienis illustreert met weinig bekend (journalistiek) materiaal. Hij slaagt er daarmee ook in om de actueelste ontwikkelingen in het literaire veld aan te stippen, zoals de opkomst van crowdfunding na het terugtreden van de overheid. Helaas is hij een van de weinigen die dat doet. De verplaatsing van het literaire debat van kranten en tijdschriften naar internetplatforms, weblogs en leesclubs blijft in dit boek nagenoeg onbesproken, net als de opkomst van de internetboekhandel en het literaire festival of de genoemde omwenteling in de bibliotheekwereld. Van hof tot overheid is een belangrijke stap in het Nederlandse onderzoek naar instituties, maar het inspireert vooral tot het zetten van nieuwe stappen: naar transnationaal en multimediaal institutioneel onderzoek, waarin getoond wordt dat er zowel vroeger als nu nauwelijks van een ‘autonoom’ literair veld sprake kon zijn.