Willem II, graaf van Holland en Roomskoning van 1247 tot aan zijn dood in 1256, werd tijdens een expeditie naar het opstandige West-Friesland door een aantal West-Friezen vermoord en in Hoogwoud op een geheime plaats begraven.1 Zijn zoon, Floris V, slaagde er in 1282 in het lichaam van zijn vader, op aanwijzing van een oude West-Fries, terug te vinden. In de abdijkerk van Middelburg werd het stoffelijk overschot bijgezet, waar het volgens een middeleeuwse ooggetuige in een kist boven de grond stond.2

Dankzij de speurzin van de president van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, mr. N.C. Lambrechtsen van Ritthem, werd in 1817 in de nis in de zuidwand van de Koorkerk te Middelburg, de voormalige abdijkerk, een skelet aangetroffen van een man dat meteen aan dat van Roomskoning Willem II werd toegeschreven.3 Sinds de Hervorming was deze nis door een eensteensmuurtje aan het gezicht onttrokken geweest. De ontdekking van de nis met daarin het skelet, baarde veel opzien. Koning Willem I kwam in 1818 zelfs naar Middelburg om zich persoonlijk van de vondst op de hoogte te stellen.

Toch rezen er al spoedig ook twijfels over de toeschrijving. In de nis werd namelijk ook een zerk aangetroffen waarop een liggende ridderfiguur was te zien. Hoewel de zerk sterk afgesleten was, waren belangrijke details nog goed zichtbaar. Zo lag de ridderfiguur met gevouwen handen onder een baldakijn, met aan zijn linkerzijde een wapenschild met als heraldische figuur de Hollandse leeuw. Het ontbreken van de eenkoppige rijksadelaar als symbool van het koningschap van Willem II, deed sommige historici veronderstellen dat het skelet niet dat van Willem II kon zijn, maar dat van zijn broer Floris die na de dood van Willem II voogd was van diens opvolger, de nog zeer jonge Floris V. Floris de Voogd was maar korte tijd aan de macht; hij overleed in 1258 aan de verwondingen die hij tijdens een toernooi in Antwerpen had opgelopen. Ook hij werd bijgezet in de abdijkerk van Middelburg.

De veronderstelling dat het in de nis aangetroffen skelet dat van Floris de Voogd zou zijn, werd dertig jaar geleden sterk verdedigd door Elisabeth Dhanens in een kunsthistorische studie over de grafmonumenten in de Koorkerk, zonder dat zij overigens nieuwe argumenten wist aan te dragen.4 Het ontbreken van de rijksadelaar op de zerk is bovendien geen sterk argument, want in de eigentijdse kroniek van Matthew Paris (ca. 1250) werd het wapen van de Roomskoning al afgebeeld met de Hollandse leeuw zonder de rijksadelaar.5 In haar ogen zou het skelet van de Roomskoning zich hebben bevonden in een wandmonument dat bij een brand in 1492 verloren was gegaan.

De cruciale vraag in deze al bijna twee eeuwen voortdurende discussie is nog steeds: is het in de nis van de Koorkerk aangetroffen skelet dat van de Roomskoning of dat van zijn broer Floris de Voogd? Een andere mogelijkheid, dat het skelet afkomstig is van een anonieme West-Fries – zoals ook wel is verondersteld6 – is door J.W.J. Burgers met historische argumenten afdoende weerlegd.7 De historische bronnen hebben naar onze mening geen bevredigend antwoord op deze vraag kunnen geven. Evenmin weten de discussianten in dit dossier ons te overtuigen. De in de laatste jaren ontwikkelde natuurwetenschappelijke methoden kunnen de discussie verder helpen en in onze ogen uitsluitsel bieden. In het onderstaande zullen wij onze werkwijze en argumentatie eerst kort uiteenzetten. Vervolgens gaan wij in op de door onze opponenten geformuleerde kritiek.

Nieuw onderzoek

De voorgenomen restauratie van de tombe in de nis van de Koorkerk bood een uitgelezen kans het daarin bewaarde skelet te onderzoeken teneinde te trachten de vraag ‘Willem II of Floris de Voogd?’ te beantwoorden. Met toestemming van de Rijksgebouwendienst – de beheerder van de tombe – kon dit onderzoek in 2011 plaatsvinden. Het fysisch-antropologisch onderzoek werd in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) uitgevoerd. In het Forensisch laboratorium voor Genetisch Onderzoek van het LUMC werd het DNA van het Middelburgse skelet geanalyseerd.8 Omdat dit voor het beantwoorden van de kernvraag niet van belang is, zullen we op het resultaat hier niet ingaan.

Voor botmateriaal behoren het fysisch-antropologisch onderzoek en de koolstof-14-methode al lang tot de standaard methoden. Laatstgenoemde methode heeft echter in de genoemde periode een sterke ontwikkeling doorgemaakt waardoor het niet alleen mogelijk is met zeer kleine botmonsters dateringen te doen, maar uit de isotopensamenstelling (13C en 15N) gegevens over bijvoorbeeld het voedingspatroon te krijgen. Onderzoek van oud DNA kan naast verwantschapsbetrekkingen, ook gegevens over fysieke kenmerken, zoals de kleur van ogen en haren, opleveren.

Belangrijke uitgangspunten bij het onderzoek zijn de leeftijds- en geslachtsbepaling, alsmede de datering van het skelet. Blijkens het fysisch-antropologisch onderzoek was het skelet afkomstig van een jonge man met een geschatte leeftijd tussen 26 en 34 jaar.9 Op grond van de koolstof-14-datering is hij tussen 1130 en 1320 overleden. Het koolstof-14-onderzoek, dat in de universiteit van Glasgow met zeer geringe (mg) hoeveelheden werd uitgevoerd, gaf tevens belangrijke informatie over het voedsel dat door de betreffende persoon werd gegeten.10 Marien voedsel (zeevis) blijkt een belangrijke component te zijn geweest, hetgeen een aanwijzing is dat we met een voornaam persoon te maken hebben. Bij het gewone volk was vis op de vastendagen niet erg geliefd, vooral omdat het veelal uit gedroogde, ingezouten haring bestond. Aan het grafelijk hof werd daarentegen veel verse, dure vis gegeten: karpers, steur en zalm die voor het gewone volk onbetaalbaar waren.11 De tot zover verkregen gegevens zijn zowel op Willem II als op zijn iets jongere broer Floris de Voogd van toepassing.

Het onderzoek heeft echter ook andere gegevens opgeleverd die het mogelijk maken te differentiëren tussen de beide broers. Zo blijkt uit het fysisch-antropologisch onderzoek dat het gebeente gedurende geruime tijd in de grond begraven is geweest. De depotband evenwijdig aan de post mortem beschadiging aan de binnenkant van de schedel, was het gevolg van gronddeposities door een wisselend grondwaterpeil. Dit is een sterke aanwijzing dat we niet met het skelet van Floris de Voogd te maken hebben, want in de gemetselde grafkelder waarin hij – zoals gebruikelijk – zal zijn bijgezet, zal de invloed van het grondwater of van (lucht)vochtigheid, zoals Henderikx in zijn bijdrage veronderstelt, dit effect niet teweeg kunnen brengen. Daarentegen is Willem II na zijn vermoording bijna 27 jaar in West-Friese bodem begraven geweest, onder de haardplaats van een huis, aldus Melis Stoke.12

Maar er is meer. Op de rechterkant van de schedel bevindt zich een groot gat dat door een stomp voorwerp moet zijn veroorzaakt, mogelijk door een knuppel. Dit trauma kan alleen veroorzaakt zijn als het hoofd niet met een helm was bedekt, zoals bij Willem II tijdens zijn inspectietochten wel het geval zal zijn geweest. De plaats en de aard van de verwonding doet vermoeden dat deze met opzet werd toegebracht. Willem II werd in allerijl in Hoogwoud begraven, hetgeen doet vermoeden dat hij ter plekke of tijdens het vervoer was overleden. Floris de Voogd daarentegen liep tijdens het Paastoernooi in Antwerpen verwondingen op waaraan hij eerst na een ziekbed van enige dagen overleed: Pasen viel in 1258 op 24 maart; Floris de Voogd stierf op 26 maart van dat jaar.13 De anonieme Clerc, die de kerk omstreeks 1400 bezocht, noteerde in zijn Kroniek dat Floris de Voogd tijdens een toernooi ‘zeer ghequetset werd, soe dat hi daer leggen bleef, ende slogen ander siecten toe, soe dat hi starf’.14 Kennelijk heeft hij nog wel de oorkonde van 25 maart voor het klooster Biezelinge kunnen (laten) bezegelen.15

Uit het onderzoek volgde bovendien nog een belangrijke aanwijzing. De schedel werd aangetroffen in drie fragmenten die op anatomisch verantwoorde wijze konden worden samengevoegd. Om de schedel te completeren ontbrak echter een groot fragment dat naar alle waarschijnlijkheid bij de opgraving in 1282 verloren is gegaan en niet, zoals de KNO-arts B.K.S. Dijkstra veronderstelde16, bij de vermoording in 1256. Er is namelijk duidelijk sprake van een postmortale beschadiging zoals aan de kleur van het breukvlak is te zien. Al in 1817 werd het ontbreken van dit schedelfragment geconstateerd.17 Het is niet goed te begrijpen – als het skelet van Floris de Voogd uit zijn grafkelder naar de nis zou zijn overgebracht na de vergroting van het koor omstreeks 1325 – hoe een dergelijke postmortale beschadiging van de schedel zou zijn ontstaan. Wij komen er hierna op terug.

Dat brengt ons op de vierde aanwijzing die van geheel andere aard is en overigens niet nieuw. Het gebeente van Willem II werd namelijk sinds 1282 in een kist boven de grond bewaard. De oorspronkelijke plaats ervan is niet bekend, maar die zal vermoedelijk bij of onder het hoofdaltaar van de abdijkerk zijn geweest. In het begin van de veertiende eeuw werd de abdijkerk vergroot. Het ligt voor de hand dat het initiatief daarvoor zal zijn uitgegaan van Floris V. Het koor werd uitgelegd waarbij het zijn huidige omvang kreeg; omstreeks 1325 was de bouw ervan voltooid. In de zuidwand van het nieuwe koor was een nis aangebracht die kennelijk bedoeld was om de kist met het gebeente van Willem II te bevatten. Een graf in een nis was immers een ereplaats en voorbehouden aan heel bijzondere personen. Het was een opstelling waardig voor een vorst die toen in Holland als bijna heilig werd vereerd.

De nis was dan ook ons inziens bestemd voor de bijzetting van het gebeente van Willem II en niet voor dat van Floris de Voogd. Waarom zou men de laatste bijna zeventig jaar na zijn dood uit zijn grafkelder hebben gehaald om hem in de nis bij te zetten? Daar komt nog bij: als de nis al voor Floris de Voogd bestemd zou zijn geweest, dan had men er de zerk niet laten ‘zweven’, maar een tombe-achtige structuur bedacht, zoals bijvoorbeeld het geval is bij het grafmonument voor Mathilde van Boulogne (†1211) in de St. Pieterskerk van Leuven. Daar rust de zerk op zes zuiltjes.18 Toen de nis in 1817 werd ontdekt, vond men hiervoor geen enkele aanwijzing. Toen bij de restauratie van de Koorkerk in 1904 de nis werd blootgelegd, kwam de oorspronkelijke tegelvloer op ongeveer 90 cm beneden de bestaande vloer tevoorschijn.19 Daar zal de kist hebben gestaan met het altaar dat op last van graaf Willem III voor het zielenheil van Willem II moest worden ingericht. Al twee dagen na de stichting van de kapelanie op 8 december 1325 werd de priester Alard Willemsz. Rape tot kapelaan benoemd.20 De eerder geciteerde anonieme Clerc zag er de kist ‘boven de grond’ staan.21

De schedel, met op de rechterkant het gat van de dodelijke verwonding. Het ontbrekende linker/boven gedeelte is een postmortale beschadiging. Foto J. den Boeft, Leids Universitair Medisch Centrum.

Het graf van Floris de Voogd bevond zich in het koor van de oude abdijkerk. Hij zal bijgezet zijn in een gemetselde grafkelder met daarop de zerk met de liggende ridderfiguur. Tijdens de Hervorming verloor de abdijkerk haar oorspronkelijke functie. De kerk werd vanaf 1574 achtereenvolgens gebruikt als hospitaal en als lazaret voor Engelse soldaten. Naar alle waarschijnlijkheid heeft men toen de fraaie, gepolychromeerde zerk die de grafkelder van Floris de Voogd dekte en daar blijkens de slijtsporen al lang lag, in veiligheid willen brengen door hem een andere plaats te geven: de kapslagen waren in 1817 goed waar te nemen: ‘Geenerlei opschrift vertoonde zich, ook niet op den rand der zerk, die door hamerslagen schijnt te zijn afgesplinterd’.22 De zerk werd vervolgens ingemetseld in de nis, waar inmiddels het altaar en de overige voorwerpen voor de katholieke eredienst waren verwijderd. Vervolgens werd de nis met een eensteensmuurtje aan het gezicht onttrokken. Toen de kerk in 1598 voor de protestantse eredienst in gebruik werd genomen, werden koorbanken voor het muurtje geplaatst. De nis met het gebeente van Willem II raakte in vergetelheid tot hij in 1817 werd teruggevonden.

Tot zoverre onze argumentatie. In het navolgende willen wij wat dieper ingaan op de kritiek die wij kregen op onze bevindingen. De bijdrage van Peter Henderickx is een goed geschreven stuk waarin hij helaas de verschillende gegevens op nogal doorzichtige wijze ‘aanpast’. Een paar voorbeelden: de door Dhanens beschreven wandborden waren niet bedoeld als tombe. Hoe het wandbord er vóór 1492 heeft uitgezien, weten we niet. Maar om dan vervolgens de conclusie te trekken dat bij de brand niet alleen het wandbord, maar ook het skelet van Willem II verloren ging, zoals Henderikx in navolging van Dhanens meent23, is niet erg aannemelijk. De temperaturen bij een kerkbrand zijn te laag om tot een volledige verbranding van een skelet te komen. Ook bij de veel zwaardere brand in mei 1940, waarbij het kerkinterieur geheel verloren ging, bleef het skelet in de nis – op wat roetaanslag na – geheel gespaard.

Ook voor de merkwaardige draai die Henderikx vervolgens maakt, namelijk dat ‘het niet geheel uitgesloten (is) dat de beenderen de brand van 1492 toch hebben doorstaan’, heeft hij een verklaring. De resterende beenderen zouden ‘onder ’t portaal’ (het toegangsportaal van de consistoriekamer) begraven zijn.24 Welk stadsbestuur zou zo oneerbiedig omgaan met de stoffelijke resten van de Roomskoning voor wie een halve eeuw later op initiatief van de landvoogdes een nieuw wandmonument aan de zuidwand bij de nis werd opgericht? Het nieuwe (houten?) wandbord uit 1542-1546 ter ere van Willem II én zijn echtgenote Elisabeth van Brunswijk, en dat van de in 1208 overleden gravin Ada, die tegen de zuidwand van het koor waren aangebracht, gingen bij de kerkbrand van 1568 verloren. Dat in de tekst op dit monument was vermeld dat ‘ten gevolge van een toevallige brand’ de Roomskoning opgehouden was aanwezig te zijn in de herinnering der mensen [...]’25, slaat niet op het skelet maar op het bij de brand van 1492 verloren wandbord.

Ook wezen wij er reeds op dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat het gebeente van Floris de Voogd bij de vergroting van de kerk omstreeks 1325 zou zijn verplaatst uit het oude koor naar de nis. Daar stond ons inziens de kist met het gebeente van Willem II.

Meer moeite hebben wij met de bijdrage van archeologe Roos van Oosten. Niet alleen de gespierde taal staat ons tegen, maar zij gaat ook nog eens slordig met onze argumentatie om en laat op verschillende plaatsen zien dat goed lezen niet haar sterkste punt is. Al in de inleiding kondigt zij aan uiteen te zullen zetten dat bij de casus van het koningsgraf van Willem II ‘eerder sprake is van mythevorming dan van onweerlegbare bewijsvoering’. Helaas maakt zij deze beschuldiging in haar bijdrage niet waar. In het hoofdstukje ‘De zoektocht naar een reeds verdwenen Willem II’ (hoezo: ‘verdwenen’?) stelt zij dat er twee ‘vreemde wendingen’ nodig waren om de contradicties tussen de resultaten van de verschillende onderzoekers te verklaren. Want, schrijft zij, ‘de uitkomst van het onderzoek leek echter van te voren vast te staan’. Dit is onjuist: wij zijn steeds van de drie mogelijkheden uitgegaan en hebben dat op verschillende plaatsen in het boek benadrukt.

Ook hebben wij geen van beiden geschreven dat de dekplaat boven het graf van Floris de Voogd op 22 augustus 1566 losgehakt zou zijn. Er staat ‘bij de beeldenstorm’ (55), waarbij overigens het koorgedeelte (met zerk) gespaard bleef. De ludieke beschrijving van aan de kerkdeuren rammelende beeldenstormers slaat nergens op. Niettemin staat in onze bijdrage aan dit dossier inmiddels een meer bevredigende verklaring: voortschrijdend inzicht. Hier wreekt zich dat Van Oosten zich helemaal heeft geconcentreerd op het boek en onze bijdrage aan dit forum niet goed heeft gelezen.

Een andere door haar gesignaleerde ‘wending’ slaat werkelijk kant noch wal. Willem II was begraven in een kist, zoals de goed geïnformeerde tijdgenoot Melis Stoke duidelijk stelt. Een houten kist is na bijna 27 jaar in een moerassige grond geheel vergaan en dan wordt het echt zoeken naar de kleine botten. Haar vrijblijvende opmerking over dure loden kisten die niet binnen het financiële bereik van West-Friese boeren lagen, raakt kant noch wal. In de haast die men had om het lichaam te begraven, zal men genomen hebben wat onder handbereik was. Een ijzeren kist ligt dan het meest voor de hand gezien het feit dat het skelet geheel compleet was. Het feit dat ijzeren kisten ‘niet archeologisch bekend zijn’, wil niet zeggen dat ze er niet waren (bijvoorbeeld voor het vervoer van een grote hoeveelheid wapentuig).

Een contradictie waarvan wij ook door haar beticht worden, betreft de ‘verdwijntruc’ van het skelet van Willem II. Van Oosten noch Dhanens – die zij overigens kritiekloos volgt – hebben aannemelijk gemaakt 1. dat het skelet van Willem II zich in het wandmonument heeft bevonden, 2. noch dat het bij de brand van 1492 geheel verloren zou zijn gegaan. De onzin van dit argument is boven reeds helder uit de doeken gedaan. Omdat dit het centrale punt is in haar betoog en zij dit niet aannemelijk maakt, is ons inziens de bodem geheel uit haar verhaal verdwenen.

Conclusie

Met dit weerwoord willen wij benadrukken dat (kunst)historisch en archeologisch onderzoek weliswaar zeer waardevol is, maar in gevallen als het onderhavige dient te worden gecompleteerd met de informatie die natuurwetenschappelijk onderzoek ons kan leveren. De invalshoek van inleider Dick de Boer dat het bij netelige kwesties als de tweehonderdjaar oude discussie over de vraag ‘Willem II of Floris de Voogd?’ vooral gaat om interactie van verschillende disciplines, willen wij dan ook instemmend aanhalen. Het recente onderzoek van het skelet voegt aan de bestaande reeks van argumenten een aantal nieuwe toe die het mogelijk maakte het Willem-Floris-vraagstuk tot een overtuigende oplossing te brengen. De bepaling van leeftijd, geslacht en de C14-datering maakt het nagenoeg zeker dat het skelet afkomstig is van één van beiden en niet van een anonieme derde. Het fysisch-antropologisch onderzoek heeft bovendien een aantal aanwijzingen opgeleverd die afzonderlijk en met elkaar ons inziens geen andere conclusie toelaten dan dat het skelet in de nis afkomstig is van Willem II.