‘Het eerste waar Nederlanders aan denken, als ze iets willen verkrijgen dat hun eigen land niet oplevert, is niet het zelf te gaan maken, maar het te zoeken in den vreemde’ (Willem Frederik Hermans, Au pair (1989) 5). In het onderhavige boek is het omgekeerde het geval: de Amerikaanse wetenschapster Elizabeth E. Sutton zoekt haar onderwerp in den vreemde, namelijk in de Republiek van de Gouden Eeuw. Dit is op zichzelf voor een Nederlandse lezer al een plezierige ervaring en het is dan ook moeilijk de verleiding te weerstaan niet alleen al dáárom onder de bekoring te komen van dit boekje.

In een kleine 140 pagina’s gaat Sutton in op het succes van de Amsterdamse prent- en kaartenmaker Claes Jansz. Visscher en – meer in het algemeen – de duiding van de hegemonie van Amsterdam als cartografische hoofdstad van de wereld in die dagen. Even los van de specifieke invalshoek die Sutton daarbij kiest – waarover straks meer – is het verfrissend dat het nu eens niet gaat over de kaartenmakersdynastie van Blaeu. De Blaeu’s hadden collega’s en concurrenten genoeg, en ook hun werk is het bestuderen meer dan waard.

Het eerste hoofdstuk van Suttons boek is in feite de inleiding, en is min of meer programmatisch van karakter. Zij stelt dat kaarten niet alleen de neerslag zijn van ontdekkingen, expansie en onderzoek, maar ook de bevestiging hiervan zijn. Kaarten vormen als zodanig een geopolitiek – om niet te zeggen imperialistisch – instrument. In haar eigen woorden: ‘Dutch maps are visual evidence of how space was shaped by and was productive of culture: in this case, the rationalization and organization of a particular economic system.’ (14) Daarbij deinst Sutton er niet voor terug te spreken van retoriek in woord en beeld (‘pictorial rhetoric’). Deze retoriek droeg mede bij aan de bevestiging en aanvaarding van een systeem dat gericht was op winstbejag, ten koste van grote ellende voor zeelieden, slaven, arbeiders, boeren en vissers in binnen- en buitenland. Tevens bepaalt Sutton in hoofdstuk 1 haar positie in de historiografische traditie, met verwijzingen naar denkers als Bourdieu, Foucault, Giddens, Marx, Schama en Weber. Sutton werpt een onderzoeker als Kees Zandvliet voor de voeten dat hij in zijn (bronnen)publicaties primair ingaat op de documentaire en historische betekenis van overgeleverde WIC-kaarten, en minder op hun functionele rol als instrument in de expansie van de Republiek. Zandvliet staat daarin natuurlijk niet alleen – integendeel.

In hoofdstuk 2 schetst Sutton in grote lijnen de algemene economische en politieke situatie ten tijde van de Republiek. Daarbij komt in dit geval uiteraard ook het belang van zulke instituties als VOC en WIC aan bod, evenals bijvoorbeeld de invloed van een denker als Simon Stevin op utilitaire bouw en de inrichting van nieuwe nederzettingen. Ook besteedt ze aandacht aan het werk van Hugo de Groot, dat onder meer een nieuwe grondslag betekende voor opvattingen over recht op bezit en van groot belang was voor de expansieve, Hollandse natie. In feite betoogt Sutton dat kaarten (ook) een rol spelen bij de bevestiging en legitimatie van de groeiende invloed van rijke, Amsterdamse kooplieden, ten koste van adel en clerus: ‘Maps codified and made coherent what was only a cacophony of voices in meeting rooms and on the street.’ Dit soort van pregnante stellingen over het effect en de ‘potentie’ van kaarten en het daarmee samenhangende belang van kaartproductie zijn frequent in Suttons boek te vinden. Andere voorbeelden zijn: ‘Maps presented a particularly capitalist view of space, one that emphasized expansion and industry, bounded by the lines of individual subjective exclusivity, and these maps thus reflected and reinforced contemporary legal and moral ideals circulating in Holland’ (46) of ‘Maps and prints for public consumption demonstrate how the Dutch organized space and society pictorially, and attributed this control and organization to their own ingenuity, industry, and institutions, clearly blessed by God’ (65–66). Dit soort uitspraken zijn prikkelend, en vormen een geheel andere benadering van het fenomeen ‘kaart’ dan gebruikelijk is.

Wat lichte onrust of zelfs argwaan wekt, is dat dit soort stellingen moeilijk omkeerbaar zijn zonder dat het beweerde onevenwichtig wordt, of bijna potsierlijk zelfs. Namelijk, als wij zouden willen benoemen wat zoal de staat als controlerende institutie bevestigde, dan zouden kaarten beslist niet het eerste zijn dat wordt genoemd en ook niet het tweede. Sutton gaat hier opnieuw vrij uitvoerig in op het gedachtegoed van Hugo de Groot en de contemporaine weerklank daarvan. Dit neigt tot wel erg theoretische beschouwelijkheid, die ver afdwaalt van het ‘kaptalisme en cartografie’ uit de titel van het boek. Juist wanneer we daardoor het nodige houvast dreigen te verliezen stelt Sutton dat ‘Visscher and other publishers probably did not consciously incorporate Grotius’s theories, but rather, the needs of their society dictated their production…’ (72). Hiermee worden de vertrouwde Hollandse waarden nuchterheid en pragmatisme ten slotte toch als doorslaggevend erkend.

In het hoofdstuk over de Hollandse bezittingen in Brazilië werkt Sutton aan de hand van deze casus haar theorie verder uit. Door de overheid gemandateerde bestuurslichamen zoals de WIC, zo betoogt Sutton, gebruikten kaarten niet alleen als bron van kennis of voor navigatie, maar tevens als ‘bewijs’ van de gerechtvaardigde aanspraak op een bepaald gebied. Aldus vormden de producten van de vaardige cartografen uit de Lage Landen een solide fundament voor de territoriale claim – waar vertegenwoordigers uit andere landen niet of in veel mindere mate over beschikten.

Het geheel overziend – er is ook nog een hoofdstuk gewijd aan de Hollandse bezittingen in Noord-Amerika – vraag ik me af of dit boekje niet beter een andere focus dan juist de kaarten had kunnen hebben, namelijk hoe de aanspraak op nederzettingen in den vreemde gepropageerd en ‘vermarkt’ werd door onder andere de WIC. De opzet van Sutton kan dan min of meer dezelfde blijven, maar de vlag die de lading dekt is in dat geval meer van toepassing. Die lading is namelijk rijker en gevarieerder dan de titel nu doet vermoeden, onder meer door de aandacht voor landinrichting en de betekenis daarvoor van het werk van Stevin en het accent op recht en rechtmatigheid van koloniale expansie, met als uitgangspunt de fundamentele beschouwingen van Hugo de Groot. Ook kaarten, hun makers en hun functioneren kunnen dan – als onderdeel van een ruimere context – evenwichtiger worden behandeld.

Het is zonder meer positief dat de historisch-cartografische benadering hier niet bepaald wordt door het bibliografisch-documentaire accent, maar dat er voor een meer inhoudelijke en functionele analyse is gekozen. Een kritischer oordeel moet worden geveld over slordigheden in titels en citaten. Toegegeven, de schrijftaal uit de Gouden Eeuw is ook voor Nederlanders van nu zelfs moeilijk, en de auteur verdient dus als Amerikaanse de nodige clementie, maar een gedicht van nog geen twintig regels uit 1656 foutloos overnemen zou toch te doen moeten zijn. Waar helemaal niets van te begrijpen is, is het register: waarom sommige namen van plaatsen, zaken of personen er wel in voorkomen en andere niet is onduidelijk. Laten we zeggen dat dat weinig bezwaarlijk is voor een boek van nog geen 140 pagina’s tekst, dat toch zeker de warme aandacht verdient van historici en historisch cartografen.