Clio’s stiefzusters fascineert vanaf de eerste aanblik. De voorkant toont Vermeers schilderij ‘De schilderkunst’, waarop een schilder bezig is een dame in het blauw af te beelden. Tegenwoordig wordt aangenomen dat die dame Clio is, de muze van de geschiedschrijving, afgebeeld met een blazoen en een boek als haar vaste attributen. De kaft confronteert ons zo direct met het onderwerp van dit nieuwe boek van Peter Rietbergen, emeritus hoogleraar Cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen: Clio’s stiefzusters gaat over artistieke verbeeldingen van het verleden. Het is een cultuurgeschiedenis van de ‘minder of geheel niet geaccepteerde of acceptabele versies van het verleden, de vele andere “performances of memory”?’ (10).

Vermeers schilderij lijkt een eerbetoon aan kunst die een representatie biedt van de geschiedenis. Is dat ook het type eerbetoon dat Rietbergen beoogt? In zekere zin wel. In een prikkelende inleiding betoogt Rietbergen dat historici de rijke ‘historische cultuur’ van schilderijen, romans, speelfilms en games niet zomaar naast zich neer kunnen leggen. Daarvoor is zij te machtig, te vruchtbaar en te dominant aanwezig in onze maatschappij. Bovendien klinkt meer dan ooit de roep om alternatieve publicatiekanalen waarmee onderzoeksresultaten breed verspreid kunnen worden. Het is daarom zeer welkom dat Rietbergen die historische cultuur tot object neemt, en het is bewonderenswaardig hoe breed zijn blik is: hij reist kriskras door de geschiedenis, door verschillende gebieden en langs vele media.

De reis is opgedeeld in zes hoofdstukken die steeds gekoppeld zijn aan hun wijze van verbeelden: zichtbaar (standbeelden van de St. Pieter), hoorbaar (opera’s over Mexico), leesbaar (een hoofdstuk over Spenglers Untergang des Abendlandes en eentje over Duitse historische romans van Felix Dahn), cinemascopisch verbeeld (film en televisie), en gespeeld (games en re-enactment). De scope is indrukwekkend breed, terwijl de hoofdstukken tegelijkertijd bijzonder gedetailleerd zijn en een schat aan informatie bevatten. Clio’s stiefzusters biedt zo een rijke kennismaking met de historische cultuur, en nodigt uit tot nadenken over de belangrijke vraag die Rietbergen aan het slot van zijn proloog expliciteert: ‘wie bepaalt nu nog welke verbeeldingen van het verleden aanvaardbaar zijn?’ Het verleden is niet het bezit van historici, maar evenzeer van ‘ongeduldige consumentistische individuen’: ‘[a]l dan niet in groepsverband bepalen mensen nu zelf welke verledens zij bruikbaar vinden’ (57).

Clio’s stiefzusters stimuleert ons om de wetenschappelijke versie van de geschiedenis niet boven verledenverbeeldingen te plaatsen, maar verschillende verhalen van het verleden naast elkaar te laten bestaan. Dat is ook helemaal in lijn met hoe veel historici tegenwoordig hun vak bedrijven, zo zet de inleiding uiteen. De meeste historici geloven niet meer in een positivistische aanpak: ‘Zij beseffen dat hun visie op het verleden nooit “de ware” is, dat hun gedachten erover ontstaan en uiteindelijk wetenschap worden vanuit een zee van toevallige en onvolkomen data’ (8). Historici zijn mensen die een verleden construeren in plaats van reconstrueren, en dat doen zij steeds opnieuw, omdat elke tijd en elke omgeving weer nieuwe vragen stelt: ‘Mede daarom is geschiedenis, altijd, “actuele geschiedenis”’ (8). Zij zijn, in feite, één van de spelers die verhalen over het verleden verspreiden.

Maar tegelijkertijd blijft in Clio’s stiefzusters de tegenstelling tussen de geschiedschrijving en de verledenverbeeldingen wel degelijk overeind. De op de voorkant gelauwerde schilderkunst wordt in de titel direct neergezet als een ‘stiefzuster’ van Clio. Zo wordt vanaf het eerste moment een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de geschiedenis (het verleden) en anderzijds verbeeldingen van die geschiedenis (de verledens). En die relatie is niet gelijkwaardig: Clio is het zuivere bloed en de verbeelde stiefzusters haar onechte verwanten.

Impliciet klinkt bovendien vaak de aanname door dat dat verleden kenbaar en stabiel is. Rietbergen benadrukt weliswaar regelmatig dat het hem niet gaat om de ‘waarheid’ over het verleden (historische romans toetsen aan ‘historische “juistheid”’ is volgens hem ‘verleidelijk’, maar niet ‘de meest interessante’ aanpak (204), maar hij neemt die ware geschiedenis toch vaak als maatstaf. Hij stoort zich bijvoorbeeld aan de kritiek dat de film Braveheart te ‘homofoob’ zou zijn: ‘de dertiende eeuw was niet “gay-friendly”, dunkt mij’ (257). In de epiloog wordt benadrukt dat historici debatten over het verleden moeten stimuleren, maar dat verleden niet mogen helpen verdraaien of herschrijven: ‘Wat wetenschappers zeker niet mogen doen, is assisteren bij campagnes voor collectieve lobotomie, waarin mensen afstand wensen te nemen van die delen van het verleden die zij minder aantrekkelijk vinden’ (321–322). En met games heeft Rietbergen een wat moeizame verhouding, omdat hun verhaal over het verleden veranderlijk is en afhangt van keuzes die spelers maken. Ze zijn daardoor ‘in essentie onhistorisch’, omdat ‘de rol ontkend wordt die het verleden vanouds speelt: als bron voor ons begrip van ons heden, van onszelf, waardoor wij weten wat wij als bagage bij ons dragen terwijl wij nadenken over en vorm geven aan onze toekomst’ (312–313). Het verleden blijkt dus iets stabiels en moet dat ook zijn om ons op die manier de wereld te laten begrijpen.

Het is veelzeggend dat het boek de ondertitel Verledenverbeeldingen voorbij de geschiedwetenschap heeft gekregen: geschiedschrijving en verledenverbeeldingen staan niet naast elkaar, maar de eerste gaat vooraf aan de tweede. Rietbergen neemt aan dat verbeeldingen door wetenschappelijke onderzoeksresultaten beïnvloed zijn, ‘en zelfs, im- dan wel expliciet, ernaar verwijzen, er in die zin wat van meenemen en er vervolgens aan voorbij gaan’ (15). De geschiedschrijving laat zonder meer haar sporen na in verledenverbeeldingen, maar werkt het niet evenzeer de andere kant op? Op tal van manieren wordt de geschiedwetenschap ook weer gekleurd door verledenverbeeldingen die in de maatschappij circuleren. Geschiedenisstudenten nemen beelden uit films en games mee de collegezaal in, terwijl wetenschappers re-enactments benutten om inzicht te krijgen in het verleden. En zelfs commissies die onderzoek financieren lijken soms gemakkelijker geneigd om geld te geven aan onderzoeksprojecten over thema’s die veelvuldig zichtbaar zijn in films en documentaires, zoals de Tweede Wereldoorlog of de Gouden Eeuw. Voor deze vormen van ‘geschiedschrijving voorbij de verledenverbeeldingen’ is geen aandacht in Clio’s stiefzusters, terwijl de aanknopingspunten voor het oprapen liggen. In het eerste hoofdstuk over de beelden rond de St. Pieter blijkt hoezeer pauselijke ambities om bijvoorbeeld Petrus’ graf en lichaamsresten te traceren de wetenschappelijke agenda hebben bepaald. En als het tweede hoofdstuk toont dat opera’s over de Azteken vanaf de twintigste eeuw niet meer het verhaal over barbarij versus beschaving vertelden, maar veeleer dat over complexe culturele ontmoetingen, rijst de vraag: is die ontwikkeling het gevolg van nieuwe wetenschappelijke denkbeelden, of ontstond dankzij nieuwe verbeeldingen juist ruimte voor onderzoek naar cultural exchange – of werken beide bewegingen op elkaar in?

Clio’s stiefzusters biedt dus zicht op dynamische interactie tussen steeds veranderende verhalen die zowel bevlogen wetenschappers als commerciële stakeholders construeren. Het is jammer dat het geloof in een waar en eenduidig verleden het doordenken van die wederzijdse bevruchting in de weg staat. Natuurlijk begeven historici zich op glad ijs als zij de professionele vakbeoefening werkelijk radicaal zouden gelijkstellen aan filmproducties en game-industrie: zetten zij het vak zo niet in de uitverkoop? Die vraag is terecht – en juist daarom moeten we hem stellen, en moeten we kritisch nadenken over de verhalen die we willen verspreiden. Zouden historici andere verhalenvertellers niet kunnen helpen om een groot publiek te laten nadenken over de meerduidigheid van het verleden? Ik bekijk opnieuw het omslag, en weet hoe ik Vermeer het liefste lees: elke Clio is alleen kenbaar in en dankzij haar verbeelding.