Nederland is de laatste jaren verwend met koninklijke biografieën. De drie levens van Willem I, II en III, verschenen eind 2013, hebben niet alleen ons inzicht verdiept in aard en functioneren van de negentiende-eeuwse monarchie, ze hebben bovendien het privéleven van de kroondragers in de schijnwerper gezet. Door systematisch aandacht te geven aan de opeenvolgende vader-zoonrelaties brachten ze een verrassende spanning en dynamiek in het verhaal. Naast dit fraaie drieluik is nu deze biografie verschenen van de belangrijkste Oranje van het tweede plan in de negentiende eeuw: de tweede zoon van Willem I, prins Frederik der Nederlanden (1797–1881), lang beschouwd als de stille kracht van het koningshuis, de man die de plooien moest gladstrijken als zijn flamboyante en wispelturige broer Willem II of zijn onmogelijke neef Willem IIIweer eens steken lieten vallen.

Biograaf Anton van de Sande noemt Frederik een ‘vergeten Oranje’. Dat klinkt wat sneu voor diens eerste biograaf, generaal F. de Bas, die tussen 1887 en 1913 liefst zes kloeke banden over de prins liet verschijnen, met een sterk accent op zijn militaire bezigheden en verlucht met talrijke ‘portretten, platen, kaarten en plans’. Maar het werd inderdaad tijd voor een moderne biografie. Van de Sande heeft die heel anders opgezet dan de drie recente koningsbiografen met hun uitgebalanceerde mix van de publieke figuur en het persoonlijke leven, beschreven van de wieg tot het graf. Dit boek heeft ook een andere voorgeschiedenis, want het was aanvankelijk bedoeld als een studie over de rol van prins Frederik als grootmeester van de Nederlandse vrijmetselarij tussen 1816 en 1881. Dit aspect krijgt ook nu nog veel aandacht, voor de onbevangen lezer misschien wel wat erg veel. Mogelijk was de auteur zelf tot het inzicht gekomen dat dit thema toch te beperkt was en heeft hij daarom zijn blikveld verbreed van maçonnerie naar monarchie, met de publieke figuur als focus.

In deze ‘politieke’ biografie gaat het dan om Frederiks rol tijdens crisismomenten van de monarchie, en dat zijn er heel wat geweest, zoals in 1848/49 toen de latere Willem IIIafstand wilde doen van zijn opvolgingsrecht en Frederik zelf mogelijk tot het regentschap geroepen zou zijn. En steeds gaat het om zijn prominente rol als militair zowel in actieve dienst als op het hoogste organisatorische niveau. Het belangrijkste politieke moment is waarschijnlijk zijn beslissing geweest het Nederlandse leger in september 1830 uit Brussel terug te trekken en daarmee de opstandelingen vrij spel te geven, waardoor de Belgische Opstand onomkeerbaar werd. Deze beslissing kan sterk in Frederiks voordeel worden uitgelegd: hij weigerde te schieten op zijn vaders onderdanen en voorkwam daardoor waarschijnlijk een bloedbad. Maar paradoxaal genoeg ook in zijn nadeel: hij had blijkbaar niet het lef op dit kritieke moment de opstand te onderdrukken toen dat misschien nog mogelijk was. Juist degenen die de prins goed kenden wisten wel dat hij vrij timide was en dat doorpakken niet zijn sterkste kant was. Dat bleek ook op het meest eervolle moment in zijn leven aan het eind van de jaren 1820, toen hij de belangrijkste kandidaat was voor de Griekse troon, maar toen voor deze eer – niet alleen voor hemzelf maar ook voor het Oranjehuis zeer prestigieus – bedankte, waarschijnlijk vooral omdat hij geen zin had in zo’n ongewis avontuur.

Van de Sandes accent op Frederiks openbare leven levert een zeer informatief boek op over zijn souffleursrol naast de troon, zijn militaire bezigheden en zijn bemoeienissen met de vrijmetselarij. Maar tegelijk impliceert die keuze ook dat er veel minder aandacht is voor Frederiks persoonlijke en familierelaties in de hoogste Europese kringen. Die worden weliswaar aangestipt, maar staan nooit centraal. Vorstelijke biografen maken tegenwoordig dankbaar gebruik van de vaak zeer uitgebreide en goed bewaarde privécorrespondenties in de hoogste kringen. Dat gold voor onze drie koningsbiografieën maar bijvoorbeeld ook voor Gita Deneckeres mooie boek over Frederiks tijdgenoot Leopold I, dat rijkelijk putte uit diens briefwisseling met zijn nicht koningin Victoria.

Zo dicht bij het brandpunt van Europa’s vorsteninternationale zat Frederik niet maar hij bewoog toch vrijelijk in die kringen, ook vanwege zijn prominente positie naast de Nederlandse troon. Hij was in veel opzichten een Pruisische prins, zoon van een Pruisische moeder, getrouwd met de zuster van twee opeenvolgende Pruisische koningen en nauw bevriend met de jongste daarvan, de latere keizer Wilhelm I. Het gaat te ver hem een spin in het Europese vorstenweb te noemen, maar hij was daar toch een zeer geziene figuur en zeker meer dan een figurant. Door het huwelijk van zijn oudste dochter Louise met de kroonprins van Zweden stammen bovendien de koningshuizen van Denemarken, Noorwegen én België (via koningin Astrid) rechtstreeks van hem af. Frederik had uitgebreide bezittingen in Duitsland. Van zijn vader erfde hij het paleis Unter den Linden in Berlijn en in 1845 kocht hij het landgoed en slot van vorst Pückler Muskau, waar hij sindsdien vaak vertoefde, soms vergezeld van zijn nicht koningin Sophie, die gescheiden leefde van haar man Willem III en op wie Frederik zelfs verliefd zou zijn geweest, als we Sophie tenminste mogen geloven.

Waar het gaat om de rol van de prins bevestigt Van de Sande het positieve beeld van een stille kracht naast de monarchie, altijd strevend naar continuïteit en stabiliteit. Verder accentueert hij het beeld van een prins die – als het erop aankwam – nooit wist door te pakken en daar ook niet het karakter voor had. Het tweede plan beviel hem prima. Frederik was zeer gesteld op zijn comfortabele leven, werd na zijn vader de rijkste Oranje van de eeuw, en zorgde zeer goed voor zichzelf en zijn vermogen. Het is een beetje jammer dat deze leesbare en onderhoudende biografie door de gekozen opzet wel een erg Nederlands boek is geworden. De lezer houdt het gevoel dat verder uitdiepen van Frederiks privéleven en het exploreren van zijn vele internationale contacten nog een dimensie aan het verhaal had kunnen toevoegen, die waarschijnlijk ook voor het begrip van de publieke Frederik van belang zou zijn geweest.