Door de Belgische Revolutie van 1830 viel het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden uiteen in zijn twee bestanddelen. Maar in het nieuwe Koninkrijk België bleven duizenden mensen, afkomstig uit de Franstalige elites van het hele land, hun aanhankelijkheid aan de verdreven Oranjedynastie cultiveren; sommigen tot aan de publieke verzoening van Willem II met Leopold I in het Europese revolutiejaar 1848. Die omvangrijke orangistische beweging werd nooit in haar geheel bestudeerd. Deze lacune is nu opgevuld door de Brusselse hoogleraar emeritus Els Witte, die vooral in de archieven van de dynastie en de ministeries in Den Haag een onvermoede rijkdom aan documentatie aantrof.

Tot aan de vooravond van de revolutie beschikte Willem I in België niet alleen over het zorgvuldig gecultiveerde beeld van ‘vaderlijke vorst’, maar vooral over een trouwe bestuurselite van ministers, ambtenaren en magistraten. Daarnaast kon hij rekenen op het officierenkorps, de vrijmetselarij en de intelligentia, en op de ondernemers die profiteerden van de ruime markt die het Verenigd Koninkrijk met zijn koloniën bood. De rooms-katholieke geestelijkheid was minder vijandig tegen de gevoerde godsdienst- en onderwijspolitiek dan traditioneel wordt gesteld, en zou ook vertegenwoordigd zijn in de orangistische tegenbeweging, aldus Witte. Liberale en katholieke oppositiebladen werden door inheemse journalisten geredigeerd, terwijl de regeringspers vooral bemand werd met uitgeweken Fransen.

Gezien de brede aanhang van het regime onder de elites, kon de revolutie zich in 1830 slechts doorzetten met collectief geweld. Dat was eind augustus het geval in Brussel, en nadien elders in het land na de vierdaagse strijd tegen het leger die plaatsvond van 24 tot 27 september. Het huis van notoire aanhangers van de regering werd verwoest en ze moesten vluchten. De stadsbesturen werden waar nodig met geweld afgezet en door revolutionairen vervangen. Verkiezingen moesten zowel de lokale als de nationale machtsovername legitimeren, maar ze gebeurden met een op maat verruimd stemrecht, en het Voorlopig Bewind bepaalde welke verkiezingsresultaten geldig waren of niet. Intussen ging de zuivering van de magistratuur en de ambtenarij door. Over de grens was de basis gelegd voor centra van orangistische ballingen: in Aken en Rijsel, en vanaf medio 1831 ook in Parijs. Koning Willem I en zijn ministers ondersteunden financieel de getroffen zuidelijke getrouwen, en zouden weldra vanuit Den Haag de orangistische centra coördineren.

Dat in de langdurige periode van chaos in België de loyalen er niet in slaagden het wettig gezag te herstellen, werd mede veroorzaakt doordat de kroonprins, tegen zijn vader in, zelf koning van België wilde worden door de revolutie te erkennen. De mogendheden die in Londen probeerden zoveel mogelijk van het internationale status quo te redden, hielden vast aan een Oranjekoning. Zelfs de oud-leden van het Voorlopig Bewind Vanderlinden-d’Hoogvorst en Jolly sloten zich aan bij de prinsgezinden die België wilden verzoenen met Europa, en tegelijk hoopten om de Benelux te redden en een Scheldesluiting te vermijden. Maar er was teveel bloed gevloeid, niet alleen in Brussel maar ook in het bombardement van Antwerpen. Tenslotte werd er toch een andere troonkandidaat gevonden die zowel voor het Nationaal Congres en de patriottische publieke opinie, als voor de congresserende mogendheden aanvaardbaar was.

Els Witte beschrijft de rol van het orangisme in de verschillende pogingen tot staatsgreep en in de Tiendaagse Veldtocht, waarop telkens repressies volgden. Verder beschrijft zij de complexe organisatie van de beweging vanuit Den Haag die in het teken stond van de volhardingspolitiek van Willem I die veel geld bleef uittrekken om zijn aanhangers en hun pers actief te houden. De heterogene oppositiebeweging kon in haar verzet tegen het Koninkrijk België steunen op een aantal gemeenteraden, met die van Gent als de meest opvallende. De beweging creëerde een eigen politiek-cultureel milieu, dat wel afbrokkelde naarmate de kansen op herstel verkleinden, maar dan nog vasthield aan een weemoedige cultus van het verloren koninkrijk en vooral van de patriarchale vorst.

De auteur stipt herhaaldelijk aan dat dit Franstalige orangisme niet uitging van een Groot-Nederlands nationaal besef. De koningsgezinde elite in de jaren vóór de revolutie was een Belgische elite, naast de Noord-Nederlandse waarmee ze weinig of geen contact had en waarmee ze zich niet echt verbonden voelde. Ze vond de Belgische belangen het best gediend in het grotere land dat rond de koning verenigd was in 1814.

Els Witte heeft in haar indrukwekkende boek niet alleen een gapende lacune over twintig jaar orangisme opgevuld, maar ook het triomfalistische beeld van de Belgische Revolutie onderuit gehaald. In de vereenzelviging met haar onderwerp heeft ze elementen overgenomen uit de regeringsvoorstelling van het Verenigd Koninkrijk, die in de Nederlandse geschiedschrijving van de negentiende eeuw is blijven hangen en in de twintigste eeuw nog nieuw leven kreeg ingeblazen door de propaganda van de Groot-Nederlander Pieter Geyl en van Vlaams-nationalistische publicisten. In die voorstelling werden de oppositie en de revolutie gevoerd door liberale advocaten omdat ze in het Nederlands moesten pleiten, en door de geestelijkheid omwille van de kerk- en onderwijspolitiek. Witte heeft zoals gezegd dit laatste punt wat afgezwakt, maar ze vermeldt niet twee van de drie hoofdoorzaken van de nationaal-liberale revolutie: het steeds drukkender wordende autoritaire regime dat de grondwet flagrant met de voeten trad, en de behandeling van België ‘als een overwonnen gebied’ om het met de woorden van Peter Van Velzen te zeggen (De ongekende ministeriële verantwoordelijkheid, theorie en praktijk, 1813–1840 (Amsterdam 2004) 125). De protestantse Hollandse elites stootten België al vanaf 1828 af, toen dat een parlementair regime eiste waarin de 62 procent Belgen en de 75 procent katholieken niet langer zouden worden achtergesteld.

Witte houdt eraan vast dat het verzet tegen de taalregeling door provincieraadsleden — ‘hoe koningsgezind ze ook mogen zijn’ (62) — en advocaten een hoofdpunt vormde in de oppositie. Maar over Gent, dat doorheen de jaren het belangrijkste orangistische centrum vormde, schrijft ze: ‘De initiatiefnemers van de petities (voor taalvrijheid in gerechtszaken), zoals H. Metdepenningen, H. Rooman en J.B. Van Lokeren vinden we na 1830 terug als leidinggevende orangisten’ (69). Beide vaststellingen bevestigen mijn in meerdere publicaties gestaafde opvatting dat de taalkwestie niet zwaar woog in de oppositie, vergeleken bij de liberale, klerikale en nationale grieven.

Over de gezagsgetrouwen van 1828–1830 schrijft Witte: ‘De politieke elite is een verkozen elite. Ze is de emanatie van het kiezerskorps’ (58). Maar ze was niét verkozen, maar van bovenaf benoemd, van de provinciegouverneurs tot en met de gemeenteraadsleden, zoals we weten uit Lodewijk Blok, Stemmen en Kiezen. Het kiesstelsel in Nederland in de periode 1814–1850 (Groningen 1987). Nagenoeg allen hadden dus reden om trouw te zijn aan de vorst aan wie ze hun positie dankten.

Het verloop van de Arabische lente sinds december 2010 doet mij vermoeden dat er ook in de Europese Völkerfrühling van 1830 en 1848 sterke tegenstellingen waren tussen de stedelijke, hoogopgeleide progressieve jongeren die in naam van de vrijheid de revolutie inzetten, en de eveneens gefrustreerde godsdienstig-conservatieve massa die ze voor die revolutie nodig hadden. In Egypte zagen we vele aanhangers van de revolutie achteraf liever het herstel van de legerdictatuur aanvaarden dan ‘de heerschappij van analfabete ruralen’. Ook in Turkije, in Thailand en elders kennen we soortgelijke tegenstellingen. Was het op zulk een reactie dat Den Haag hoopte?