Heersers kunnen niet zonder dienaren, mensen die hun eigen belangen opzijzetten en zo ver kunnen gaan dat ze zichzelf en hun naasten beschadigen om hun meester te behagen. Vanuit politiek-historisch opzicht is het relevant te onderzoeken wat leiders in staat stelt deze loyaliteit te verwerven. Het is minstens zo interessant te kijken wat dienaren beweegt grote offers te brengen. Een biografische methode is daarvoor geschikt, omdat zo de drijfveren van deze mannen en vrouwen achterhaald kunnen worden. Aangezien biografieën van onderdanen veel schaarser zijn dan die van leiders, is de publicatie van het levensverhaal van François van ’t Sant (1883–1966) markant. Het boek belooft namelijk een inkijk te geven in het leven van iemand die als ‘Harer Majesteits loyaalste onderdaan’ wordt gekarakteriseerd.

Van ’t Sant maakte een bliksemcarrière bij de politie. Van hoofd rivierpolitie in Rotterdam klom hij op tot hoofdcommissaris in Utrecht en later, vanaf 1920, in Den Haag. In de hofstad moest hij ook de schadelijke gevolgen van de seksuele escapades van prins Hendrik binnen de perken zien te houden, door bijvoorbeeld financiële regelingen te treffen rond buitenechtelijke kinderen. Na een (nog steeds) onopgehelderd schandaal rond ene Elisabeth le Roi zag hij zich genoodzaakt in 1934 ontslag te nemen. Deze vrouw vormde de spil in een ingewikkelde affaire rond een Nederlands diplomaat en een kind dat mogelijkerwijze door prins Hendrik was verwekt. Koningin Wilhelmina liet hem niet vallen. Ze benoemde hem tot haar veiligheidsadviseur en nam hem in 1940 mee als particulier secretaris naar Londen. Daar volgde een aanstelling als hoofd van de inlichtingendienst. Van ’t Sant werd echter gewantrouwd door het verzet en bleef omstreden. Na de oorlog bleef hij in Engeland wonen, maar was hij nog wel zijdelings betrokken bij een mislukte poging tot een staatsgreep in 1947. Ook bemiddelde hij achter de schermen in de huwelijkscrisis op Soestdijk in 1955/56. Hij was zijn leven lang getrouwd met de professionele operazangeres Greta van ’t Sant – Jonsson.

Het schrijven van het levensverhaal van Van ’t Sant was niet eenvoudig. De auteur, de publicist en voormalig hoofdredacteur van Het Parool Sytze van der Zee, spande zich zeer in om materiaal over hem te verzamelen. Maar van ’t Sant oefende vooral achter de schermen invloed uit en opereerde vaak in het verborgene, werkzaamheden waarover weinig documentatie bewaard is gebleven. Dat de toegang tot het archief van het Koninklijk Huis voor de onderzoeker gesloten bleef, was een extra complicatie. Ook Van ’t Sant zelf liet veel persoonlijke papieren vernietigen. Om hem te kunnen traceren in de bronnen, onderzocht de auteur gebeurtenissen waar Van ’t Sant bij betrokken was. Dat heeft tot gevolg dat Van ’t Sant in het boek vaak verdwijnt achter een bepaald evenement of achter personages zoals bijvoorbeeld Mata Hari, Elisabeth le Roi, koningin Wilhelmina of koningin Juliana. Feitelijkheden die nog te reconstrueren zijn beschrijft de auteur soms tot in de kleinste details. Liefhebbers van intriges, onopgehelderde zaken en anekdotes kunnen hier dan ook hun hart ophalen.

Het interessantste verhaal beschrijft de mislukte poging van oud-premier Gerbrandy en een aantal oud-verzetsmensen om in 1947 het kabinet-Beel omver te werpen. Aanleiding hiervoor vormde de weerstand tegen het regeringsbeleid inzake de Indonesische onafhankelijkheid. Onderdeel van het plan vormde zelfs een poging Koos Vorrink om het leven te brengen. Op het moment suprême was de PvdA voorzitter echter niet thuis, hetgeen hem het leven heeft gered.

De auteur stelde dat dit onderzoek de biografie opleverde ‘van een van de meest mysterieuze en tegelijkertijd invloedrijkste figuren uit de hedendaagse Nederlandse geschiedenis’ (achterflap boek). Dit zijn grote woorden, die door de publicatie zelf gelogenstraft worden. Erg machtig lijkt de vertrouweling van Koningin Wilhelmina namelijk niet te zijn geweest. De karakterisering van Loe de Jong, ‘geen dominerende figuur – al zal hij wel eens met zijn informaties de koningin in een bepaalde richting hebben geduwd’ (348), lijkt zijn rol nog het beste samen te vatten. Gerbrandy was negatiever: ‘een trouwe waakhond van het Koninklijk Huis’ en ‘[h]et Huis van Oranje veegt zijn vuile voeten aan hem af’ (205).

Het chronologisch beschreven leven van Van ’t Sant kent een sterk verhalend karakter. Analyse en duiding ontbreken in het boek. Van der Zee maakt niet duidelijk wat Van ’t Sant bewogen heeft een trouwe dienaar te blijven en plaatst zijn leven niet in een groter kader. Dat is een gemiste kans. Alleen al vanuit genderperspectief zijn interessante observaties te noteren. Van ’t Sant koos voor leidinggevende functies in een klassiek mannenberoep bij uitstek, de politie, waar hij de eerste vrouw in dienst nam. Vervolgens werd hij de dienaar van een vrouwelijk staatshoofd.

Ondanks grondig archiefonderzoek komt lang niet alles boven tafel. We komen te weinig te weten over wat voor man Van ’t Sant was en wat ‘Harer Majesteits loyaalste onderdaan’ gedacht en gedaan heeft. Bij gebrek aan bronnen kunnen sommige biografieën helaas niet meer geschreven worden.