Dit is het eerste, maar langverwachte boek van Victoria Christman. Tijdens de voorbijgaande jaren publiceerde zij een reeks interessante artikelen over de Reformatie in de Habsburgse Nederlanden. Nu presenteert ze deze eerdere maar ook nieuwe onderzoeksresultaten in de vorm van een monografie. Bovenal verdedigt Christman de these dat er in de eerste helft van de zestiende eeuw reeds een soort pragmatic toleration ontstond, die voorafging aan het gematigd godsdienstig klimaat van de Republiek. Christman komt tot deze ‘prehistorie’ op basis van een studie van de havenstad en handelsmetropool Antwerpen, waarbij onderscheiden handelingen van de stadsmagistraat, van lokale gerechtsinstanties en van burgers ervoor zorgden dat hervormingsgezinden de strenge ketterwetgeving konden omzeilen. In de praktijk bleek deze toleration van de stedelijke instellingen hoofdzakelijk politiek geïnspireerd, om tegen de centralistische politiek van landsheer Karel V in te gaan, maar ook economisch gedreven, om de eigen welvaart te beschermen. Bij uitzondering kwam deze pragmatic toleration voort uit theologische of meer value-based argumenten.

Zes hoofdstukken met verschillende focus ondersteunen deze these. Het eerste hoofdstuk schetst de infrastructuur van de lakse interpretatie van de nochtans steeds strenger wordende ketterwetgeving: ten eerste was er de politieke terughoudendheid van lokale stads- en justitieraden om de wetgeving van hogerhand uit te voeren, ten tweede waren er vaak ook heel wat praktische belemmeringen en jurisdictieproblemen om andersgelovigen op de vlucht op te sporen, en ten derde lag de stad ver van bisschopsstad Kamerijk. Het tweede hoofdstuk illustreert deze bevindingen concreter aan de hand van de processen uit en na 1527 met betrekking tot de hervormingsgezinde Claes van der Elst die meer dan zestig volgelingen had. De hervormer zelf vluchtte voor de lokale vervolging en werd later in Holland gearresteerd, terwijl zijn medestanders werden onderworpen aan een geloofsonderzoek maar er met individueel afgemeten geldstraffen vanaf kwamen. Ook na de strengere wetgeving in 1529 leek de Antwerpse stadsmagistraat een oogje dicht te knijpen voor burgers uit welgestelde of intellectuele milieus, zo blijkt uit het vierde en vijfde hoofdstuk die respectievelijk over drukkers (en vooral hun weduwes die de zaak overnamen) en over rederijkers handelen. Deze pragmatische houding vertoonde parallellen met de Antwerpse verdediging van de rijke Portugese nieuw-christenen (verdacht van het blijvend belijden van het jodendom en dus ook als ketters beschouwd), zoals dat in het zesde hoofdstuk wordt uitgewerkt. Toch was deze pragmatic toleration in Antwerpen nooit compleet maar steeds selectief. Zo benadrukt het derde hoofdstuk dat de Antwerpse magistraat zich volop engageerde in de strenge vervolging van anabaptisten binnen de stadsmuren, enerzijds omdat ze ideologisch een bedreiging vormden, anderzijds omdat ze economisch niet interessant waren.

Door deze wisselende focus biedt dit boek een interessante bloemlezing van de reformatie in hele diverse milieus: van de drukkerswereld tot landlopers, van regenten tot stadsmagistraten. Telkens onderstreept de auteur daarmee de complexiteit en de gelaagdheid van het fenomeen godsdienstvervolging. Toch is de eindbalans niet uitsluitend positief. Door de brede penseelvoering zullen andere recensies zeker een trits onnauwkeurigheden aanstippen. Voor deze recensent was de vergelijking van de gevalstudies te weinig systematisch gebeurd en ontbrak het kwantitatieve element (wat was dan de verhouding tussen vervolging en pragmatische verdraagzaamheid?). Bovendien ging de auteur niet aan de slag met de intussen gekende inzichten over het belang en de werking van clementie en gratie in wetgeving en praktijk (onder meer uitgewerkt door Hugo de Schepper, Guido Marnef, Xavier Rousseaux en Gert Gielis). Dat had in alle opzichten meer diepgang in de analyse kunnen brengen.