‘Een vergeten groep’, zo noemt Klaasje Douma de Brabantse adel in haar proefschrift De adel in Noord-Brabant 1814–1918. Vergeten in zowel de landelijke adelsgeschiedenis als in de Brabantse geschiedenis. Maar dat kan men na het lezen van dit boek niet meer zeggen. Uitvoerig analyseert Douma de adel in Brabant, een gewest dat rond 1800 als enige provincie geen gewestelijke soevereiniteit had en geen vertegenwoordiging in de Staten-Generaal kende. Tevens ontbrak in Brabant op dat moment een ridderschap of gewestelijk actieve adelsgroep of regentenpatriciaat. Dat veranderde toen vanaf 1813 de koninkrijksadel van koning Willem I vorm kreeg en op 28 augustus 1814 de eerste leden van de Brabantse ridderschap benoemd werden. Daarmee is de ridderschap in Brabant een jong verschijnsel. Het is dus interessant om te weten hoe deze jonge ridderschap tot stand kwam, wie lid werden en of men echt kan spreken van een Brabantse ridderschap. Douma stelt daarbij twee hoofdvragen. Ten eerste, was er sprake van een adellijke groepscultuur (Adeligkeit)? Ten tweede, en wellicht meest interessant, kan de adel in het katholieke Noord-Brabant nu ook echt als Brabants gezien worden? Hadden deze families een eigen, Brabantse identiteit?

Qua aanpak sluit Douma sterk aan op het werk van een van haar promotoren, Yme Kuiper, die zelf in 1993 promoveerde op de Friese adel met Adel in Friesland, 1780–1880. Haar boek past zonder meer in de traditie van het Nederlands elite-onderzoek, onder andere door de gekozen methode van de prosopografie of collectieve biografie (een andere recente publicatie in deze traditie is bijvoorbeeld J. Moes, Onder aristocraten. Over hegemonie, welstand en aanzien van adel, patriciaat en andere notabelen, 1848–1914 (2012)). Daarbij leunt ze sterk op concepten van sociologische theoretici als Pierre Bourdieu. In veel elite-onderzoek, zowel landelijk als internationaal, herkent Douma vier thema’s, te weten: aristocratisering, connubium (huwelijksrelaties) en convivium (sociale omgang), familie, en (herinnering aan) het verleden. Hierbij leunt ze tevens op het werk van Ellis Wasson, waaronder diens Aristocracy and the Modern World (2006), en Heinz Reif, Adel im 19. Und 20. Jahrhundert (2012). Zelf voegt ze nog de concepten van identiteit, groepsvorming en notabelenelite toe. Al deze concepten, alsmede de methode van de collectieve biografie, worden uitvoerig behandeld in de inleiding. Voor het grote publiek wellicht te theoretisch en af en toe verwarrend, doch voor historische onderzoekers een goed theoretisch kader voor haar Brabantse studie, dat daardoor op academisch niveau zeker een waardevolle bijdrage is in Nederlands elite-onderzoek.

Na de zeer lange inleiding (hoofdstuk 1) biedt De adel in Noord-Brabant via vijf hoofdstukken inzicht in de adellijke families in Noord-Brabant tussen 1814 en 1914, waarbij thema’s als groepsvorming, identiteit en familie centraal staan. Bij zulke thema’s is het natuurlijk cruciaal om te weten wie wel en wie niet tot de onderzoeksgroep behoorde. Douma toont met haar analyse aan dat bij de instelling van de ridderschap zware criteria waren gehandhaafd, waardoor slechts de helft van de Brabantse, veelal katholieke notabelen in 1814 voldoende aanzien hadden om tot de provinciale adel te behoren. Vervolgens werden vooral protestantse notabelen benaderd om toe te treden, en zodoende een ridderschap van acceptabele omvang te creëren. In de loop van de negentiende eeuw veranderde dit beeld van ‘een protestants en weinig “Brabantse” adel’ (482), doordat meer rooms-katholieke notabelen verheven werden in de adelstand en tot de ridderschap toetraden. Hierdoor ontstond er een sterkere binding met de provincie. Echter, vanaf 1850 meldden zich weinig nieuwe families met een verzoek tot opname in de adel. Douma vraagt zich af of dit kwam omdat er wellicht onder de katholieke Brabantse elite weinig animo was voor opname in ‘een noordelijk, protestants bolwerk’ (483). Tussen 1814 en 1918 behoorden 395 mannen tot de adel in Noord-Brabant. Pas vanaf de jaren 1870 was de Brabantse adel overwegend katholiek, al was tot in de twintigste eeuw nog een derde van de edellieden protestants en buiten de provincie wonend.

Religie en lokale binding speelden dus een belangrijke rol in de Brabantse adel. Met name het aspect van religie zien we bij de huwelijkskeuze van de adellijke families terug. Op die manier bleef een harde scheidslijn bestaan tussen enerzijds een protestants huwelijkscircuit bestaande uit losse clusters en anderzijds een katholiek huwelijksnetwerk waarbij Douma een toenemende cohesie waarneemt, met name vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Daarbij werden ook katholieke huwelijkspartners buiten Brabant gevonden, met name in Gelderland, zoals Clemens van Hövell tot Westerflier en Weezeveld die in 1906 huwde met een telg uit de familie Van der Does de Willebois. De religieuze scheidslijn werd, zo stelt Douma, wel overbrugd binnen sociale netwerken waardoor deze niet exclusief adellijk en Brabants waren.

Terugkomend op haar vragen (had de Brabantse adel een adellijk en Brabants karakter?) stelt Douma in haar conclusie uiteindelijk vast dat een aantal families zich inderdaad ontwikkelde ‘tot een adellijke “dynastie” met adellijke karakteristieken’, vooral bij de landadel waar grondbezit en jacht een belangrijke rol speelden in de adellijke levensstijl. Bij diverse adellijke families die in Den Bosch woonden, vond weer een grote vorm van versmelting (Einschmelzung) met burgerlijke families en levensstijl plaats. Met name in de kern van de adelsgroep observeerde Douma een meer Brabants karakter. Deze lieden kunnen we – volgens de auteur – ‘beschouwen als dragers en zelfs dirigenten van de Brabantse identiteit’ (504). Douma eindigt haar betoog met aanknopingspunten voor nader onderzoek om de Brabantse adelsgroep beter te positioneren, bijvoorbeeld door verdergaande vergelijking met andere provincies. Daarbij zou het katholieke Limburg mijns inziens niet mogen ontbreken. Dat Douma met haar publicatie niet het laatste woord heeft geschreven over de Brabantse adel geeft ze zelf in haar proefschrift aan, maar dankzij haar diepgravende werk ligt er nu een hoogwaardige basis waar onderzoekers binnen de adelsgeschiedenis én Brabantse geschiedenis hun voordeel mee kunnen doen. Daarmee is de Brabantse adel zeker geen ‘vergeten groep’ meer te noemen.

Nog één opvallend punt: De oplettende lezer zal gemerkt hebben dat er weliswaar verwezen wordt naar bijlagen, maar dat deze niet in het boek te vinden zijn. Een enkele zin in het colofon laat weten dat de bijlagen apart zijn gehouden en te vinden zijn op de website van de uitgever. In eerste instantie oogt dit onhandig en niet lezersvriendelijk, maar gezien de lengte van de bijlagen – 245 pagina’s lang – en het feit dat ze online doorzoekbaar zijn, kan het toch gezien worden als een verstandige keuze. Al was het nog handiger geweest als in het onlinedocument de inhoudsopgave interactief was, zodat men bij aanklikken bij de gewenste tabel of grafiek zou uitkomen. Tevens blijft het raadzaam voor lezers om de bijlagen te downloaden zodat men deze in de toekomst ook nog kan raadplegen.