In deze aantrekkelijk geschreven biografie verhaalt Joep Boerboom over het leven van jeugdboekenschrijver, wetenschapper én politicus Jan Terlouw (1931). De biograaf neemt als uitgangspunt de publicaties van Terlouw en onderzoekt in hoeverre er overeenkomsten zijn tussen het karakter en de levensloop van de auteur/schrijver en de protagonisten in zijn boeken. Die originele aanpak pakt goed uit.

Terlouw, bekend van jeugdboeken als De Koning van Katoren, Oorlogswinter en Briefgeheim, publiceerde meer dan dertig boeken, fictie en non-fictie. In zijn politieke dagboek Naar zeventien zetels en terug, en zijn tot televisieserie bewerkte De Derde Kamer, beschreef Terlouw de Nederlandse politiek, waarin hij een belangrijk deel van zijn werkzame leven actief was. Boerboom weeft de autobiografische elementen uit de boeken soepel door het levensverhaal van Terlouw heen. Hij werkte als ambtenaar voor het Rijk, de eu en is thans in dienst van de provincie Overijssel. Hij publiceerde over bestuurlijke onderwerpen in onder andere de Internationale Spectator en nrc Handelsblad en schreef een portret van Neelie Kroes in een bundel over Nederlandse Eurocommissarissen.

Jan Terlouw was een domineeszoon die een groot deel van zijn jeugd doorbracht op de Veluwe en werd gevormd door wat hij meemaakte in de bezettingsperiode. Boerboom laat zien hoe Terlouw die ervaringen verwerkte in het jeugdboek Oorlogswinter. Terlouws carrière begon in de wetenschap. Na twaalf jaar als kernfysicus bij een instituut voor plasmafysica onderzoek te hebben gedaan, zocht hij een nieuwe uitdaging. Het elan van de nieuwe partij Democraten 66 (d’66) en ‘de emancipatie van de burger’ spraken hem aan en andersom klikte het ook. Via de Utrechtse gemeentepolitiek belandde hij al snel in de Kamerbanken. Kinderboekenschrijver werd hij min of meer bij toeval. De verhaaltjes die hij zijn kinderen voor het slapengaan vertelde, bewerkte hij op advies van zijn vrouw, Alexandra van Hulst, tot een boek. Het werd een succes: verschillende kinderjury’s verkozen zijn debuut Pjotr tot het beste jeugdboek van 1971. Terlouw, verrast door zijn talent, schreef door. De geëngageerde, moralistische jeugdboeken met een sterk plot bleken uitstekend bij de tijdgeest van de jaren zeventig te passen en vonden gretig aftrek. Boerboom legt in het hoofdstuk over de aanvang van Terlouws politieke loopbaan Koning van Katoren naast het D66-programma en ziet treffende gelijkenissen.

Als politicus richtte Terlouw zijn aandacht in het begin vooral op natuur en milieu. Hij zette zich in voor ‘een leefklimaat waar niet alleen krukassen, plastics en wasmiddelen zich thuis voelen, maar ook mensen waar bloed uit komt als je er een gaatje in prikt’ (85). Toen Terlouw in 1971 in de groene Kamerbankjes plaatsnam als een van de elf d’66-fractieleden, kreeg hij naast de portefeuille milieu ook het woordvoerderschap over energie en economie. Dat de belangen van economie en milieu hard kunnen botsen, leek hem toen nog geen parten te spelen. Hij koos de kant van de actievoerders die zich inzetten voor het openhouden van de Oosterschelde en tegen gasboringen in de Waddenzee. In 1973 volgde Terlouw Hans van Mierlo op als fractievoorzitter van d’66. Dat waren grote schoenen om te vullen. Terlouw was niet zo’n hartstochtelijk politiek dier als zijn voorganger, hij beschouwde zichzelf als een beroepspoliticus, en hoewel hij goed kon spreken, miste hij charisma. Daarbij ging het slecht met de partij. De partijleden in politieke functies voerden een sterk individualistische koers en als geheel stak d’66 bleekjes af in het sterk verdeelde politieke landschap. Een nederlaag bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in maart 1974 werd gevolgd door een totale deceptie bij de gemeenteraadsverkiezingen enkele maanden later. Opheffen die partij, leek het devies. Een complicatie vormde de deelname van d’66 aan het kabinet-Den Uyl. Bij een partijcongres stemde 55 procent voor het ontbinden van de partij, maar dat was statutair onvoldoende om tot daadwerkelijke opheffing over te gaan.

Kort daarna lukte het Terlouw met de nieuwe partijvoorzitter Jan Glastra van Loon de partij weer uit de prut te trekken. Van een partij gericht op democratische vernieuwingen verbreedde d’66 zich tot een sociaalliberale partij. Na de succesvolle oppositie tegen het eerste kabinet-Van Agt maakten lijsttrekker Terlouw en zijn partij bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1981 een klapper: van acht naar zeventien zetels. De slogan ‘het redelijke alternatief’ paste perfect bij Terlouw. Zijn keurige voorkomen en weloverwogen woorden spraken kiezers aan die het geruzie en gedram van Den Uyl en het geschmier van Van Agt moe waren. Toch moest Terlouw om het succes te verzilveren uitgerekend met deze twee kemphanen aan tafel om te onderhandelen over de kabinetsformatie. Wat volgde was een ‘kamikazekabinet’ dat zich nog voor de regeringsverklaring was uitgesproken te pletter vloog. Nog nooit had Terlouw zich zo geschaamd. Niettemin nam hij na een lijmpoging alsnog plaats achter de ministerstafel. Als minister van Economische Zaken botste hij diverse malen met de monomane en breedsprakige Den Uyl, die als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erin was geslaagd een deel van Terlouws portefeuille leeg te pikken.

Over het gedrag en de taakopvatting van Terlouw als minister roept het boek meer vragen op dan het beantwoordt. Zijn legalistische opvatting dat hij als minister van de Kroon niet langer partijvertegenwoordiger was, lijkt te suggereren dat Terlouw een halve eeuw te laat geboren was voor het ministerschap. In de ogen van partijgenoten verkwanselde hij het partijprogramma en de standpunten die hij eerder als Kamerlid had ingenomen. Terlouw vereenzelvigde zich sterk met het departement en koos onomwonden voor de ‘oude’ economie. Leek Terlouw hier soms op de zwart-wit ministers die hij had beschreven in Koning van Katoren? Of verstarde zijn verantwoordelijkheidsgevoel zijn vermogen tot flexibiliteit? Slechts drie maanden na zijn vertrek uit de politiek schreef Terlouw Naar zeventien zetels en terug. Het boek werd slecht ontvangen; zo omschreef journalist Willem Breedveld het als ‘notities gedrenkt in liters azijn’. Boerboom betwijfelt of langer wachten met publiceren een boek met meer zelfreflectie had opgeleverd. De wijze waarop Terlouw terugblikt op het kabinet en zijn ministerschap is nauwelijks veranderd. Na zijn ministerschap kwam Terlouw op adem in het buitenland. Gedurende acht jaar was hij secretaris-generaal van de Europese Conferentie van Transportministers in Parijs. Na deze ballingschap keerde hij terug naar Gelderland, waar hij als Commissaris van de Koningin een aantal gelukkige jaren kende.

Terlouw werkte, na aanvankelijke aarzeling (‘zou u niet wachten tot ik dood ben?’), con amore mee aan dit boek. Ook zijn vrouw en zijn vier kinderen stelden zich bereidwillig op. Hun inbreng laat zien dat Terlouw door zijn gezin op handen wordt gedragen. Het boek is hoofdzakelijk gebaseerd op interviews en bestaande literatuur. Grote verrassingen blijven door het ontbreken van origineel en uitgebreid bronnenonderzoek uit en voor het wetenschappelijke publiek blijft dit boek dan ook wat te dicht aan de oppervlakte. Voor een brede doelgroep is dit echter een uiterst plezierig en informatief boek.