Het is niet veel promovendi gegund dat hun proefschrift vrijwel integraal in eigen taal wordt uitgegeven met de duidelijke bedoeling ook een groter publiek dan alleen het academische aan te spreken. Dat is Martijn Lak wel gelukt met zijn dissertatie over de Nederlands-Duitse economische betrekkingen na de Tweede Wereldoorlog waarop hij in 2011 promoveerde. Terecht, zijn stijl is luchtig en vermakelijk, terwijl het informatieve verhaal moeiteloos van de ene naar de andere paragraaf vloeit om tenslotte in heldere conclusies uit te monden. Het is vooral de toegankelijkheid van Laks schrijven die dit werk waardevol maakt. Het voortdurende belang van de Nederlands-Duitse betrekkingen wordt regelmatig onderschat en rechtvaardigt een historiografie die ook op een breder publiek is gericht dan de vakgroep.

In Tot elkaar veroordeeld draait het om de vraag hoe de Nederlands-Duitse economische relaties zich direct na de oorlog ontwikkelden en wat de gevolgen van deze betrekkingen waren voor de politieke verhoudingen tussen beide landen. Waar het Lak vooral om gaat, is de spanning tussen economische desiderata die tot samenwerking noopten en de gevoelsmatige afkeer van het land dat zo-even nog de vijandelijke bezetter was. Lak stelt dat Nederland na de oorlog een zeer ambivalente houding innam ten aanzien van zijn buur. Aan de ene kant had het land behoefte aan vergelding en genoegdoening in de vorm van herstelbetalingen en annexaties. Aan de andere kant was het voor iedereen duidelijk dat de Nederlandse economie het meeste baat had bij een Duits economisch herstel en een vlotte normalisering van de Nederlands-Duitse betrekkingen. Nederland was immers sinds het midden van de negentiende eeuw door handels- en investeringsrelaties in hoge mate economisch verweven met de Duitse buur. Lak laat vervolgens glashelder zien dat het bezettingsbeleid van de geallieerden het Nederlandse streven zowel ten aanzien van genoegdoening als van de normalisering van de economische betrekkingen frustreerde. De normalisering volgde daarom pas op de samenvoeging en verzelfstandiging van de Amerikaanse, Britse en Franse bezettingszones in de Bondsrepubliek Duitsland in 1949. In hetzelfde jaar liberaliseerden de Westerse geallieerden de Duitse handel en in 1951 herstelde ook de West-Duitse monetaire positie. Het herstel van de handelsrelatie dat hiervan het gevolg was, zo berekent Lak, leverde Nederland uiteindelijk meer op dan de Marshall hulp. Nederland was en bleef economisch afhankelijk van de grote Duitse buur, terwijl West-Duitsland de Nederlandse politieke steun nodig had voor zijn integratie in West-Europa en deelname aan de NAVO. En zo komen we bij de conclusie van het boek, die de titel al onmiddellijk verraadde: de landen waren ondanks de gruwelen van de oorlog Tot elkaar veroordeeld.

Naast de toegankelijke schrijfstijl zijn ook Laks belezenheid en het evenwichtige gebruik van bronnenmateriaal uit zowel Duitse als Nederlandse archieven duidelijke verdiensten van deze studie. Toch dringen zich ook vragen op bij het lezen ervan. Eén van de meest voor de hand liggende is: in hoeverre voegt dit onderzoek iets toe aan de uitgebreide historiografie over de Nederlands-Duitse betrekkingen? Lak beaamt de weidsheid van deze historiografie, maar stelt dat Nederlandse en Duitse historici zoals Friso Wielenga en Horst Lademacher weliswaar veel over de politieke en diplomatieke betrekkingen hebben geschreven, maar wat betreft de economische relaties niet de diepte in zijn gegaan. Dat laatste klopt wel. Bovendien is er inderdaad onderscheid te maken tussen economische en politieke relaties, maar aangezien het Lak juist lijkt te gaan om de interactie tussen beide, is ineens minder duidelijk in hoeverre Lak nu werkelijk een nieuw onderwerp aanboort. In hoofdstukken 3, 4 en 5 gaat Lak uitgebreid in op respectievelijk de financiële en commerciële relaties en de transportverbindingen tussen beide landen in de onderzochte periode. Juist deze hoofdstukken hadden waardevoller kunnen zijn als Lak explicieter was ingegaan op de meerwaarde van deze economisch-historische benadering voor de historiografie. Daarbij valt vooral te denken aan de invloedrijke rol van ondernemers in politieke besluitvormingsprocessen op nationaal en internationaal niveau, waarop Lak hint.

Een tweede vraag, die hier direct op aansluit is: hebben de sterke economische relaties daadwerkelijk politieke consequenties gehad? Lak meent van wel (262). Nederland, aldus Lak, hanteerde direct na de oorlog een politiek van genoegdoening. Gaandeweg veranderde dit in een politiek waarin het herstel van de economische relaties centraal stond. Aan de Duitse kant bespeurt Lak een diplomatieke gevoeligheid voor de Nederlandse bitterheid, en stelt hij dat het land vanwege het economische belang van Nederland de onopgeloste oorlogskwesties zoals de herstelbetalingen en de annexaties nooit op de spits heeft willen drijven. In 1956 gaf het land de Rijnvaart bovendien weer vrij voor de Nederlandse vaart. Toch stelt deze analyse niet geheel tevreden. Uit Laks relaas blijkt veel meer dat de Nederlandse wraakgevoelens en de wens naar een herstel van de economische betrekkingen elkaar tussen 1945 en 1957 niet uitsloten. Toen die economische relaties na 1949 daadwerkelijk verbeterden, ging dat niet ten koste van de Nederlandse bitterheid en bleven de diplomaten openlijk naar genoegdoening streven. Evenmin lijken de economische relaties de achtergrond te zijn geweest van de Nederlandse steun voor Duitse integratie in Europa en de NAVO. Hier lijken vooral militaire veiligheidsdoeleinden aan ten grondslag te hebben gelegen. Lak toont ook niet aan dat Duitsland wegens de economische betrekkingen politieke manoeuvres ten aanzien van Nederland heeft moeten maken. Dat Bonn, na de zoveelste zure opmerking van een Nederlandse diplomaat over de Duitse oorlogsschuld, ‘Den Haag nooit zijn plaats wees’ (262) kan nauwelijks een politieke consequentie worden genoemd. Het voorbeeld van de liberalisering van de Rijnvaart voor buitenlandse schepen is in dit opzicht tenslotte niet geheel overtuigend. Weliswaar toont het aan dat deze transport- en handelsverbinding over Nederland voor Duitsland van het grootste belang was, maar de vrijgave kan geen politiek compromis genoemd worden, omdat Duitsland hier volledig uit eigenbelang handelde.

Kortom, uiteraard waren Nederland en Duitsland zich na de oorlog bewust van het belang van de wederzijdse economische relaties, en Lak heeft deze voortreffelijk weergegeven. Tegelijkertijd lijken die relaties de beide landen in dit geval niet tot politieke compromissen te hebben gedreven. Zo blijft de vraag in hoeverre internationale economische relaties de machtsverhoudingen in de internationale betrekkingen bepaalde, onbeantwoord. Dat betekent dat voor het tackelen van dat vraagstuk politieke historici, economisch historici en politieke wetenschappers ook nog wel even tot elkaar veroordeeld zijn.