Wat is het object van de boekwetenschap? Hoe lang staat het boek nog centraal in het boekhistorisch onderzoek of moet de boekhistoricus de aandacht verleggen naar internet en andere media? Op deze vragen probeert Marieke van Delft, conservator van de Koninklijke Bibliotheek bij de afdeling Bijzondere Collecties te Den Haag, in Van wiegendruk tot world wide web. Bijzondere collecties en de vele geschiedenissen van het gedrukte boek antwoord te geven. In 2014 promoveerde zij aan de KU Leuven. Van dit proefschrift verscheen in 2015 een handelseditie als deel 17 in de Nieuwe Reeks van de Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse boekhandel. In tien hoofdstukken, alle mede gebaseerd op onderzoek naar de Bijzondere Collecties van de Koninklijke Bibliotheek, toont Van Delft de ontwikkelingen in het boekhistorische onderzoek en het bibliotheekvak. De scope van het boek is breed: de geschiedenis van het gedrukte boek in Nederland van 1500–2015.

In de proloog bepaalt Van Delft haar positie binnen het boekhistorisch onderzoek. Tot aan 1970 was in Nederland de zogenaamde analytische bibliografie, de minutieuze analyse van het fysieke object, de belangrijkste boekwetenschappelijke stroming. Hiermee verwierf men bijvoorbeeld kennis over letters, compositie van de tekst, papier, opbouw van de katernen, het drukken, correcties, het binden en illustraties. Gevoed vanuit de sociale wetenschappen kreeg vanuit Frankrijk vervolgens de ‘Histoire du Livre’ invloed, waarbij boeken in relatie tot de maatschappij werden bestudeerd: het boek als handelswaar, censuur, privileges, de betekenis van een boek voor de cultuur, de rol van de lezers. Deze benadering heeft geleid tot een indeling van het domein van de boekwetenschap in drie onderzoeksterreinen: productie, distributie en consumptie.

Naast de vraag naar de bruikbaarheid van de benaderingswijzen van het boekhistorisch onderzoek stelt Van Delft ook de vraag wat eigenlijk het object is van de boekwetenschap. Deze kwestie werd actueel door de digitale ontwikkelingen en de opkomst van internet. Volgens Don F. McKenzie, in Nederland nagevolgd door Adriaan van der Weel, bestudeert de boekwetenschapper de geschiedenis van de transmissie van de tekst (van oraal tot digitaal, waarbij handschrift en druk tussenstadia zijn). Inhoud is belangrijker dan het medium waarmee deze wordt verspreid. Van Delft vindt in navolging van Wim Heijting dat het boek (de codex) een afzonderlijk medium is, binnen het systeem van de media. Weliswaar lijken de verschillende tekstuele verschijningsvormen op elkaar en is vergelijking soms zinvol, maar digitale media horen volgens haar niet tot het onderzoeksterrein van de boekhistoricus. Bij onderzoek naar de historische productie pleit zij voor de codexgerichte benadering.

Van Delfts studie toont de vruchten van de verschillende benaderingswijzen. In het eerste deel van het boek is de aandacht gericht op het boek als fysiek object in context. Boeken worden geanalyseerd om meer te weten te komen over de manier waarop ze gemaakt, gedistribueerd en gebruikt zijn. Van Delft beschrijft vijf casussen. Achtereenvolgens komen aan de orde een Nederlands getijdenboek uit 1500, twee Leidse drukkers en de titels die ze voor Lodewijk Elzevier drukten, een Leidse boekhandelaar en zijn bibliotheek rond 1700, de uitgeefgeschiedenis van het overzichtswerk van alle in Nederland in het wild voorkomende planten Flora Batava, en de geschiedenis van De Vereeniging Joan Blaeu die tussen 1916 en 1938 als doel had om de boek- en prentkunst in Nederland te bevorderen door het uitgeven van bijzondere boeken en het organiseren van tentoonstellingen en lezingen. Bij iedere casus toont Van Delft een bepaalde ontwikkeling in het boekenvak, bijvoorbeeld de overgang tussen handschriften en de eerste gedrukte boeken in de vroegmoderne tijd in het geval van de geïllustreerde getijdenboeken rond 1500, en de veranderingen in productie en distributie tussen 1800 en 1934 in het geval van de Flora Batava.

Interessant aan dit deel van het boek is dat de auteur de eerder gepubliceerde artikelen, geschreven tussen 1992 en 2013, voor haar proefschrift heeft bewerkt, waarbij de vroegere resultaten dankzij het gebruik van nieuwe digitale zoekmogelijkheden verregaand konden worden uitgebreid en geactualiseerd. Van Delft kent de mogelijkheden en onmogelijkheden van bijvoorbeeld de STCN of Delpher als geen ander, en beschrijft en becommentarieert haar onderzoeksresultaten met deze bronnen meticuleus. Daardoor is het boek uitstekend en instructief materiaal voor iedereen die geïnteresseerd is in de vele geschiedenissen van het boek, en vooral ook in alle manieren waarmee hier vandaag de dag onderzoek naar kan worden gedaan.

In het tweede deel van het boek ligt de focus op de positie van de afdelingen bijzondere collecties en de nieuwe digitale onderzoeksmogelijkheden. De vraag is of dergelijke kostbare afdelingen nog wel nodig zijn als alle objecten door digitalisering beschikbaar zijn. Dit deel van Van Delfts boek laat zien welke positie Bijzondere Collecties van de Koninklijke Bibliotheek inmiddels in het boekwetenschappelijk onderzoek heeft ingenomen door het creëren van allerlei kennisdiensten, databases, informatiesystemen en bibliografieën. Dit deel heeft daarmee soms een beetje teveel het karakter van een beleidsmatige oratio pro domo. In het meer toegepaste hoofdstuk over watermerkendatabases demonstreert Van Delft de mogelijkheden van twee digitale databases.

In het laatste hoofdstuk beschrijft Van Delft de ontwikkelingen in het boekhistorisch onderzoek sinds de introductie van de computer. In 1995 begon de Koninklijke Bibliotheek met het digitaliseren van de belangrijkste stukken van haar Bijzondere Collecties, op basis van het een jaar eerder verschenen boek Honderd hoogtepunten uit de Koninklijke Bibliotheek. Daarna ging het snel: tekstdigitalisering startte in 1999 met als voorlopig hoogtepunt het fulltext gedigitaliseerde tekstplatform Delpher (2013), de nationale digitale beeldcollectie in de vorm van het Geheugen van Nederland in 2000, en niet te vergeten de digitale catalogi en alle metadata die daaraan verbonden zijn. Met behulp van Delpher en Google Books zocht Van Delft met woorden in de fulltext naar extra informatie bij de eerste vijf hoofdstukken van haar boek. Net als in de eerdere hoofdstukken is de beschrijving van de zoekmogelijkheden en onmogelijkheden heel instructief.

In een epiloog stelt Van Delft dat het juist in deze tijd van digitalisering belangrijk is dat het boek als cultureel erfgoed een eigen plaats houdt in de mediastroom. Zoals een afbeelding niet hetzelfde is als een schilderij, zo is het gedigitaliseerde boek niet hetzelfde als het fysieke boek. De digitalisering helpt bij het sneller vinden van meer informatie, het stellen van andere vragen en het vinden van nieuwe bronnen. Digitalisering verzorgt de synergie tussen de verzamelende bibliotheken en de onderzoekers. Bijzondere collecties blijven het bronnenmateriaal leveren voor nieuw onderzoek.

Bijzondere Collecties zijn het visitekaartje van de KB. Aan belangrijke bezoekers worden de mooiste exemplaren van de bibliotheek getoond. In 1994 verscheen het fraaie boek Honderd hoogtepunten uit de Koninklijke Bibliotheek, dat als gezegd in 1999 ook als eerste door de KB werd gedigitaliseerd. Marieke van Delft schreef hiervoor al verschillende bijdragen. Als pendant bij dit boek is er nu haar proefschrift, een proeve van dertig jaar betrokkenheid bij het beschikbaarstellen, toegankelijk maken en onderwijs geven over en onderzoek doen naar de vele geschiedenissen van het boek.