In 1899 werd SDAP-prominent Willem Vliegen correspondent in Parijs van diverse socialistische bladen. ‘Persoonlijke verwikkelingen in de kleine kring van de top van de toenmalige partij’ waren aanleiding voor zijn verhuizing, aldus wijlen zijn biograaf Albert Mellink in het eerste deel van het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland uit 1982. Dankzij het minutieuze speurwerk van Adriaan van Veldhuizen weten we nu dat Vliegen werd verbannen om een publiek schandaal te vermijden rond zijn buitenechtelijke relatie met Aaltje Poutsma, echtgenote van Hessel Poutsma, een heetgebakerde Friese socialist die het voortdurend aan de stok had met de autoriteiten en met zijn partijgenoten.

Van Veldhuizen is in zekere zin een nazaat van Vliegen, die immers de eerste geschiedschrijver van de SDAP was. Een eeuw geleden stond de geschiedschrijving van de SDAP in het teken van de politieke strijd en de socialistische overwinning die ooit zou komen. Na Vliegen hebben velen zich gebogen over de geschiedenis van de Nederlandse sociaaldemocratie. Van Veldhuizen heeft met zijn proefschrift over de beginjaren (1894–1909) van de SDAP een nieuwe dimensie toegevoegd aan die historiografie door een studie af te leveren waarin de cultuur en de sociale verhoudingen binnen de partij centraal staan en de rol van de SDAP in de Nederlandse politiek slechts marginaal wordt aangestipt.

De Partij bouwt voort op het werk van Dennis Bos die in 2001 in zijn proefschrift Waarachtige volksvrienden de geschiedenis van het Amsterdamse socialisme tot de oprichting van de SDAP in kaart bracht door uitputtend bronnenonderzoek in alle mogelijke archieven. Bos heeft de totstandkoming van het proefschrift van Van Veldhuizen begeleid en dat is te merken aan de fascinatie van Van Veldhuizen voor bronnen die het persoonlijke verhaal van zijn hoofdpersonen onthullen. De Partij is breder van opzet dan de studie van Bos, Van Veldhuizen richt zich op de SDAP als landelijke partij. Tegelijkertijd is ook Van Veldhuizens boek bovenal een verzameling studies over de lokale organisatie van het socialisme. Zelfs als de gang van zaken op de grote SDAP-congressen uit de doeken wordt gedaan, gebeurt dat vanuit het perspectief van de lokale netwerken van de individuele partij- en congresgangers.

De studie van Van Veldhuizen is bijzonder waardevol om meerdere redenen. Om het bijeengebrachte materiaal uiteraard, maar meer nog omdat De Partij laat zien dat een dergelijke minutieuze benadering van de partijcultuur tot nieuwe inzichten kan leiden. Historici als Gerrit Voerman (directeur Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen) en Henk te Velde (Van Veldhuizens promotor) hadden hierop al gewezen en Van Veldhuizen bewijst hun gelijk. Van Veldhuizen benadert de SDAP als een vereniging, een verzameling individuen die zich organiseren met een gemeenschappelijk doel. Het bijzondere aan de SDAP als vereniging is uiteraard dat zij zich richtte tegen de bestaande maatschappelijke orde waardoor het lidmaatschap ook meteen een sterke lotsverbondenheid met zich meebracht.

De minutieuze benadering werpt een nieuw licht op de partijgeschiedenis. Van Veldhuizen laat zien dat de vroege SDAP een netwerkorganisatie was, waarin familie- en vriendschapsbanden belangrijker waren dan formele posities. Van Veldhuizen is er in geslaagd om te reconstrueren hoe binnen en tussen de netwerken persoonlijke relaties, humeuren en karakters de onderlinge verhoudingen bepaalden. Vrouwen speelden daarbinnen een belangrijke rol, prominenter dan blijkt uit de gangbare historiografie, terwijl tegelijkertijd wordt onderstreept dat ook in de SDAP als vanzelfsprekend mannen alle formele machtsposities innamen.

Van Veldhuizen analyseert hoe de eerste SDAP-ers zich met moeite losmaakten uit de Sociaal-Democratische Bond (SDB) van Domela Nieuwenhuis om een moderne partij te stichten. Die nieuwe partij was niet veel meer dan een partijbestuur onder leiding van Pieter Jelles Troelstra en een netwerk van lokale afdelingen en afdelinkjes en ‘verspreide leden’. Het geheel hing aan elkaar van persoonlijke relaties en familiebanden, waarbij met name in Amsterdam een deel van de partij een uitgesproken joods-culturele identiteit had. Van Veldhuizen laat omstandig zien hoe sommige individuele leden verweven raakten met de partijorganisatie en daarbinnen langdurig posities bekleedden, met alle spanningen en conflicten die dat met zich meebracht.

Van Veldhuizen hoedt zich voor een nieuwe analyse van de grote ideologische tegenstellingen in de partij die culmineerden in het marxistische schisma van 1909. In de plaats daarvan werkt hij behoedzaam toe naar die partijsplitsing door te laten zien hoe in de partij aan de ene kant een meer mondain soort van socialisme opbloeide rond de SDAP-ers die zich vestigden in het Gooi en aan de andere kant de tegenstellingen rond de interpretatie van het marxisme zich ook verhardden in conflicten tussen leden onderling. Hij waakt daarbij soms angstvallig voor verdergaande conclusies. Zo wordt een gedetailleerde reconstructie van een persoonlijk conflict in 1907 rond David Wijnkoop als medewerker van de aan de SDAP gelieerde verzekeringsmaatschappij De Centrale niet expliciet in verband gebracht met Wijnkoops rol in het marxistische schisma van 1909.

Uit Van Veldhuizens studie komt de SDAP in weerwil van alle persoonlijke sores naar voren als een hechte organisatie met een vaste groep voormannen en oudgedienden die pas tegen het einde worden uitgedaagd door een harde kern van marxisten. Van Veldhuizen blijft dicht bij de bronnen, niet alleen zijn we getuige van de escapades tussen de lakens van Willem Vliegen, maar ook van de hechte banden die ontstaan en de pijn als die worden verbroken. De lezer wordt met de neus gedrukt op de sociale verschillen binnen de partij, die intellectuelen en hele en halve analfabeten omvatte. We krijgen inzicht in ruzies en conflicten die soms zelfs voor de deelnemers niet te duiden zijn, geïllustreerd met citaten waaruit op aandoenlijke wijze blijkt hoe moeilijk het soms voor het actieve partijlid was om zijn standpunten en verontwaardiging onder woorden te brengen.

Van Veldhuizen heeft een ware pageturner geschreven in een effectieve, soms laconieke stijl. Toch blijft de lezer na de laatste bladzijde onbevredigd achter. Dat heeft te maken met de representativiteit van zijn studie. De auteur doet geen enkele poging om zijn studie te relateren aan internationale, bijvoorbeeld de rijke Britse, literatuur over partijvorming. Inleiding en conclusie bevatten wat obligate verwijzingen naar meer theoretische benaderingen van partijcultuur, maar Van Veldhuizen doet er feitelijk niets mee. Ook verwijzingen naar de partijcultuur in andere Nederlandse partijen (met name de ARP) ontbreken. Voorts had Van Veldhuizen zijn analyses van het organisatorische vermogen in de vroege SDAP meer diepgang kunnen geven door te vergelijken met studies naar lokale sociabiliteit van de arbeidende klasse in Nederland zoals de dissertatie van Rob van der Laarse over verzuiling in Woerden uit 1989. Daarnaast is de methodologische verantwoording niet heel overtuigend. In de conclusie rechtvaardigt Van Veldhuizen dit door te stellen dat ‘[de] metaforische benadering (…) ertoe geleid [heeft] dat de wetenschappelijke nadruk in dit boek niet ligt op representativiteit, maar dat hoeft ook niet in de historische wetenschap’ (261). Dit argument overtuigt om twee redenen niet. Het proefschrift getuigt in zijn gedetailleerdheid bepaald niet van een ‘metaforische benadering’, en welke benadering dan ook ontslaat een promovendus niet van precisie in de verantwoording van de representativiteit van de gekozen casuïstiek.