Voor recensenten is het een zegen als in een voorwoord precies staat aangegeven wat het doel van het boek is. Dat maakt het beoordelen van de kwaliteit van het boek vaak makkelijker; een recensent kan dan in ieder geval toetsen of het boek, naar zijn/haar mening, aan de eisen voldoet die de auteur zelf aan dat boek gesteld heeft. In het geval van De Troepenmacht in Suriname is het voorwoord niet van de hand van de auteur, maar van de opdrachtgever: het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), dat onder het ministerie van Defensie valt. NIMH-directeur Piet Kamphuis schrijft hierin dat aan de auteur van deze militaire geschiedenis van Suriname in de periode 1940–1975 drie belangrijke eisen werden gesteld. Allereerst moest het werk een ‘gat in de militaire geschiedschrijving dichten’ (8): zelf vind ik dat nooit de sterkste aanleiding voor het doen van nieuw onderzoek. Ten tweede moest het boek bijdragen aan de ‘traditiebeleving’ (8) binnen de Koninklijke Landmacht. De militairen van de Troepenmacht in Suriname (TRIS), in 1957 officieel opgericht, behoorden tot het Regiment Infanterie Oranje Gelderland, die de tradities van de TRIS na 1975 overnam; sindsdien zijn deze opnieuw overgedragen, nu aan 45 Pantserinfanteriebataljon (PAINFBAT). Ten derde zouden oudgedienden van de TRIS massaal hebben aangegeven belangstelling te hebben voor een boek over ‘hun’ tijd in Suriname.

Gemeten aan deze laatste twee doelstellingen is het boek zeer geslaagd. De Troepenmacht in Suriname is een boek geworden waar noch TRIS-veteranen, noch leden van de eenheden waarin de TRIS na 1975 is opgegaan zich een buil aan kunnen vallen. Het is een vlot geschreven boek geworden over de veranderende taken, opleiding, personele invulling en organisatie van de Nederlandse militaire aanwezigheid vanaf 1940 tot en met de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975. Een mooi gedenkboek dus. De vraag is echter of mensen die niet tot de (smalle) doelgroep van (ex-)militairen van TRIS of 45 PAINFBAT behoren ook veel van hun gading zullen vinden.

De ‘laat-koloniale’ periode biedt allerlei openingen voor interessante onderzoeksrichtingen, rondom (bijvoorbeeld) de veranderende omgang met de bevolking, de opname van Surinamers in de troepenmacht en de potentiële conflicten die daarbij komen kijken, en de vraag hoe men zich in opleiding en organisatie voorbereidde op zelfbestuur en (vervolgens) onafhankelijkheid. Auteur Ellen Klinkers kon het niet nalaten om, ondanks haar beperkte taakomschrijving, enkele van die vragen centraal te stellen. Zij komt daarbij tot enkele tekenende, maar niet echt verrassende conclusies. Zo schrijft zij dat de Defensiestaf ook in de periode 1940–1975 consequent vraagtekens stelde bij de aanhoudende oproepen om meer niet-blanken toe te laten tot de Nederlandse troepenmacht in Suriname. De Defensiestaf vreesde dat een ‘overwegend Surinaams legertje’ (96) te dicht bij de plaatselijke bevolking zou staan en daardoor te vatbaar zou zijn voor de steeds luider wordende roep om zelfbestuur en onafhankelijkheid. Wanneer er Surinamers werden toegelaten, dan moesten zij in Nederland trainen en kregen zij niet dezelfde kansen op promotie als hun Nederlandse collega’s. Het resultaat is dat de Nederlandse militaire aanwezigheid in Suriname steeds meer ‘vernederlandste’, in strijd met het Koninkrijksstatuut van 1954 dat juist een (gedeeltelijke) ‘Surinamisering’ voorstond. Er werden daarna wel pogingen om Surinaamse vrijwilligers te werven voor de nieuwe TRIS – die als gevolg van het Koninkrijksstatuut ook echt een status aparte van andere Landmachtonderdelen kreeg – maar die stonden niet te springen.

Maar Suriname was zeker niet alleen een hoofdpijndossier voor Defensie. Integendeel, men hechtte, zeker gedurende de koudste Koude Oorlogsjaren, zeer aan de mogelijkheid om uitgebreid in Suriname te kunnen oefenen. Belangrijker was wellicht nog dat Suriname in geval van een invasie van West-Europa door de Sovjet-Unie dienst zou kunnen doen als uitvalsbasis ver buiten de gevarenzone; daar kon het landleger zich tactisch terugtrekken of kon, net zoals aanvankelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog het idee was geweest, een nieuwe troepenmacht worden samengesteld om een tegenaanval voor te bereiden. Welke rol de TRIS daarin had moeten spelen wordt nooit helemaal duidelijk, te meer omdat uit dit boek blijkt dat de activiteiten van die TRIS beperkt bleven tot het vergaren van inlichtingen over vermeende nationalistische maar vooral ook communistische intriges, het verlenen van hand en spandiensten bij ontwikkelingsprojecten – zoals het plaatsen van springstofladingen ten behoeve van de bouw van de Afobakadam – en het paraat staan in verband met spanningen tussen bevolkingsgroepen binnen Suriname of conflicten met buurlanden. Maar wellicht de belangrijkste activiteit bestond uit ‘vlag- en machtsvertoon’: patrouilleren, duidelijk aanwezig zijn, en vertrouwen danwel ontzag inboezemen. Dat laatste werd belangrijker in de opmaat naar de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975, maar ook ingewikkelder. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de plannen voor operatie ‘Zwarte Tulp’: in geval van onlusten of een staatsgreep rondom de geplande soevereiniteitsoverdracht was voor de TRIS een belangrijke rol weggelegd, hetgeen zou betekenen dat een Nederlandse troepenmacht zou interveniëren in een (bijna) onafhankelijke staat.

Over hoe de militairen dit zelf allemaal hebben ervaren leren we eigenlijk maar heel weinig. Het beeld dat ontstaat – passend bij een gedenkboek – is voornamelijk één van een Suriname dat een prachtige achtergrond vormt voor een ‘avontuurlijke’ diensttijd (211). Met name als het boek in de jaren 1970 aanbelandt en de haren en de baarden langer worden, suggereren de foto’s van TRIS-ers met een stevige joint in de hand dat het toch vooral goed toeven was in Suriname. De tekst bevestigt dat: de militairen maakten af en toe een praatje met de plaatselijke bevolking, bliezen zo nu en dan eens een rotsblok op, gingen op bezoek bij de exotische Marrons in het binnenland, oefenden wat met de Brengun en trokken dan een lekkere djogo Parbo-bier open.

Het contrast tussen de zakelijke wijze waarop het Nederlandse militaire belang bij Suriname en het bij tijd en wijle moeizame scheidingsproces tussen de beide rijksdelen, culminerend in de Surinaamse onafhankelijkheid van 1975, wordt beschreven en de vrolijke scènes van de TRIS-ers in actie is groot. Dit contrast wordt toegelicht doordat de auteur, in de conclusie, stelt dat de TRIS en haar organisatorische voorgangers simpelweg ‘geen deel uitgemaakt hebben van het dekolonisatie- en democratiseringsproces’ van Suriname (213). Dat dit wel een erg gemakzuchtige aanname is, vindt de auteur kennelijk zelf ook; nog geen pagina verder suggereert zij bijvoorbeeld dat er best een verband kan worden gezien tussen de vrijwel compleet vernederlandste TRIS en de staatsgreep van Desi Bouterse op 25 februari 1980. Surinaamse militairen, stelt zij, hadden geen gelegenheid gehad om ervaring op te doen boven het onderofficiersniveau, terwijl de Surinaamse regering geen enkele bestuurservaring had aangaande de omgang met een krijgsmacht.

Deze dichotomie kenschetst het boek. Het is in de eerste plaats een gedenkboek, hetgeen betekent dat de blik naar binnen is gericht en het vooral ook een boek moet zijn om vrolijk van te worden. Maar het betekent ook dat moeilijke vragen zelden gesteld worden, en als ze al worden gesteld (zoals het verband tussen de vernederlandsing en de staatsgreep van Bouterse) worden ze niet beantwoord. Ook is er geen ruimte voor (bijvoorbeeld) een avontuurlijke methodologie of vergelijking, of voor beschouwingen over postkoloniale legervorming of militaire cultuur. Dit alles valt de auteur niet aan te rekenen; ze heeft met noest archiefwerk een ‘gat gedicht’ en er een mooi gedenkboek van gemaakt. Jammer genoeg is dit boek, net zoals opvallend veel militair-historische werken die in Nederland worden geproduceerd, daardoor voor een breder, laat staan een academisch publiek niet heel interessant.