Het proefschrift van Erwin van Loo dateert alweer van 2013. Het handelt over de circa 900 Nederlandse vliegeniers die in de Tweede Wereldoorlog dienst deden in de Britse Royal Air Force (RAF). Zo’n 650 van hen vervulden operationele functies in de lucht. Bijna een derde van deze strijdvaardige jonge mensen betaalden voor hun inzet de hoogste prijs en maakten het einde van de oorlog niet meer mee. In zijn omvangrijke boek wil Van Loo niet alleen de lotgevallen van deze groep voor het voetlicht brengen, maar tevens uit de doeken doen wat hun achtergrond was en in wat voor organisatie en omstandigheden ze in Groot-Brittannië terecht kwamen. Hij combineert hiervoor gegevens uit de Londense archieven van Defensie met onderzoek in de stukken van het Air Ministry in het Brits Nationaal Archief. Het aanbrengen van die context is nieuw en werkt verhelderend en relativerend. Bovendien biedt de auteur een interessante kijk op de geografische en sociale afkomst van de Nederlandse oorlogsvliegers en de wijze waarop deze doorwerkten in de personele opbouw van de krijgsmacht, zowel in als na de oorlog.

Vergeleken met de andere buitenlanders in de RAF viel het Nederlandse contingent niet meteen op door numerieke sterkte. Mede daardoor was hun bijdrage aan de strijd uiteindelijk bescheiden. Slechts 221 van de Engelandvaarders die in en na de meidagen van 1940 wisten te ontkomen kwamen terecht in de vliegdienst van de RAF. Dit in vergelijking met bijvoorbeeld Poolse vliegeniers betrekkelijk geringe aantal had alles te maken met het snel oprukken van de Duitse legers in noordwest Europa. Een belangrijk deel van de Nederlandse bijdrage aan de luchtstrijd kwam dan ook voor rekening van landgenoten die in het buitenland geboren of woonachtig waren, alsmede vrijwilligers uit Nederlands-Indië.

De Nederlandse vliegers hadden het niet gemakkelijk. Ten eerste – en dit komt in Van Loo’s boek bij herhaling terug – vormde de Engelse taal voor een aanzienlijk aantal van deze jongemannen een barrière. In breder perspectief verliep het inpassen van buitenlandse vliegeniers in de organisatie van de RAF en het aanpassen aan de codes en gebruiken die de Britse luchtstrijdkrachten zich in de voorafgaande decennia eigen hadden gemaakt een hindernis. Aanvankelijk was er maar één Nederlandse eenheid binnen de RAF: het 320e squadron dat opereerde vanaf hun basis in Wales met vanuit Nederland meegebrachte Fokkervliegtuigen en werd ingezet voor de Britse kustbewaking. De grote droom van degenen die zich in Engeland wisten aan te melden betrof echter jachtvlieger worden en een bijdrage leveren aan de strijd van Fighter Command in de Slag om Engeland in de zomer en herfst van 1940. Vanwege de noodzaak tot voorafgaande training en assimilatie was dit slechts voor een enkeling weggelegd. Bij welk luchtmachtonderdeel een vliegenier uiteindelijk terecht kwam, was afhankelijk van een samenloop van omstandigheden en persoonlijke voorkeuren.

Het opzetten en bemannen van een afzonderlijke Nederlandse eenheid was intussen geen sinecure. Het aantal aanmelders hield niet over, de opleidingscapaciteit (in Canada en in de Verenigde Staten) was beperkt en naarmate de taken van het squadron veranderden van kustbewaking naar bombardementsvluchten boven bezet Europa liepen ook de verliezen op. Van Loo gaat uitgebreid in op de omgang met gevaren en angst. De meeste piloten kwamen vroeg of laat te lijden aan gevechtsstress, die verlammend kon uitpakken en een fatalistische levenshouding in de hand werkte. Een en ander vertaalde zich ook in gedrag in de privésfeer. Natuurlijk was er ‘buiten de poort’ tussen operaties door ook sprake van seksuele verhoudingen. In sommige gevallen gingen Nederlanders in Engeland zelfs huwelijken aan in bigamie, die dan werden ontbonden indien de zaak uitkwam. Wat er in zulke gevallen gebeurde met de ongelukkige echtgenoten vermeldt Van Loo echter niet.

Van Loo gaat eveneens in op de gevolgen van de deelname aan de luchtstrijd voor hen die het avontuur na mei 1945 konden navertellen. Voor hen was de thuiskomst en demobilisatie vaak problematisch. Over en weer bestond er weinig kennis en begrip van doorgemaakte narigheden. In de omgang met de gerepatrieerde militairen betoonde de Nederlandse staat zich bovendien niet ruimhartig. De terugkerende joodse militairen hadden het wat dit betreft het zwaarst: hun families bleken vaak verdwenen en hun bezittingen verbeurd.

Het vernieuwende van deze gedegen en fraai geïllustreerde studie is, zoals al vermeld, de aandacht die de auteur schenkt aan de omlijsting van de wederwaardigheden van deze ‘vliegers in het vuur’ (Van Loo’s verwijzing naar Norels populaire jongensboekenfictiereeks uit de jaren zestig): hun sociale context op de grond, zowel vóór, als in en ná de oorlog. Voor zover statistisch materiaal voorhanden of reconstrueerbaar was, heeft de auteur dit getracht te vangen in overzichtelijke statistieken, die veel verhelderen. Deze interessante studie beperkt zich tot de selecte groep van vliegers. Het maakt nieuwsgierig naar de vraag hoe het dan zat met de overige Engelandvaarders en vrijwilligers die in de geallieerde luchtstrijdkrachten terecht kwamen maar geen vliegende functie kregen.