De onmeetbare mens is een speurtocht naar wat Nederlandse wetenschappers bezielde om de Indonesische archipel over te trekken en een staalkaart van ‘raskenmerken’ van de daar ontegenzeggelijk zeer diverse bevolking aan te leggen. Het is een geschiedenis die teruggaat op Paul Pierre Broca (1824–1880), de beroemde schedelmeter en grondlegger van de fysische antropologie. Met de excessen van de rassenwaan van de twintigste eeuw nog vers in het geheugen, is dit een tak van wetenschapsbeoefening die weinigen meer bekoort. Dat maakt het boek meteen interessant, te meer omdat het ook laat zien dat de wetenschappelijke agenda van de fysische antropologen nog springlevend is en nu wordt uitgevoerd door de hedendaagse genetici. Bovendien beklemtoont Sysling, die in 2013 op dit onderwerp promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam, dat vooraanstaande Nederlandse fysische antropologen zich nadrukkelijk tegen de nationaalsocialistische rassenleer hebben gekeerd. Wat hen in de Indonesische archipel in de ban hield, was niet het vinden van een bevestiging van de superioriteit van het ‘Caucasische ras’ maar de vraag naar de oorsprong van de mens en de diversiteit van hun uiterlijke kenmerken. Interessant is ook dat zij door hun werk tot de slotsom moesten komen dat er weinig grond was om het bestaan van verschillende menselijke rassen te veronderstellen. Die conclusie bereikten zij in weerwil van de eigen door het kolonialisme gevormde vooroordelen ten opzichte van andere culturen. Een aantal conclusies van deze fysische antropologen, bijvoorbeeld die ten aanzien van de afwijkende uiterlijke kenmerken van bewoners van het eiland Nias (voor de westkust van Sumatra gelegen), van wie de voorouders ooit uit Taiwan zijn gekomen, zijn overigens recent door genetisch onderzoek onderschreven.

Moeten we dit boek dus zien als eerherstel voor de fysische antropologen die nu verder gezuiverd van de blaam van racisme en koloniaal vooroordeel weer bijgezet kunnen worden in de geschiedenis? Allerminst. Een belangrijk deel van het boek gaat over de volstrekte minachting van deze wetenschappers voor de privacy van hun onderzoeksobjecten. Er is al eerder geschreven over het tentoonstellen van personen op Wereldtentoonstellingen, bijvoorbeeld door Marieke Bloembergen in De koloniale vertoning: Nederland en Indie? op de wereldtentoonstellingen (1880–1931) uit 2002. Het verhaal van Sysling over het vierde Pan-Pacific Science Congress van 1929, waarbij Indonesiërs van over de gehele archipel naar Batavia waren gehaald om daar en plein public gemeten en betast te worden, vormt op deze literatuur een mooie aanvulling. Dat een aantal Europese kranten in Indië aanstoot nam aan dit behandelen van personen als ‘paaschvee’, laat de auteur overigens niet na te vermelden (61). De organisator van dit evenement, Dionysius Jan Hendrik Nyèssen, was er intussen ook in geslaagd zijn werkgever, het Indisch Comité voor Wetenschappelijke Onderzoekingen, tegen zich in het harnas te jagen. Nyèssen was een klassieke schedelmeter die als promovendus zijn kunsten had botgevierd op Friese en Groningse schedels om vervolgens zijn jachtterrein te verleggen naar Java, waar zijn veldonderzoek met passer en meetlint lokaal de nodige opschudding veroorzaakte. Zijn gegevens publiceerde hij in zijn The Races of Java (1929), een boek vol tabellen en uitweidingen die gebukt gingen onder speculatie en overmatige wetenschappelijke ambitie.

Nyèssens ambacht was eigenlijk al gedateerd in de jaren twintig, toen het fototoestel zijn intrede had gedaan in het antropologische veldonderzoek. Het nadeel van fotografie is echter dat deze tweedimensionale beelden oplevert – om deze reden worden politiefoto’s zowel van voren als van opzij geschoten. Een manier om het gebrek aan driedimensionaliteit op te lossen was destijds het vervaardigen van een gipsafdruk van het gezicht. Vandaag de dag kan een serie afdrukken van gezichten van bewoners van Nias nog steeds aanschouwd worden in het Rijksmuseum. Het is niet moeilijk zich voor te stellen, dat het een buitengewoon onplezierige ervaring moet zijn geweest om zich een gipsafdruk van zijn of haar gezicht te laten aanmeten. Zeker voor personen met een baard! Om het ademen mogelijk te maken, dienden ganzenveren in de neusgaten gestoken te worden. Toch zijn er uiteindelijk enige honderden van die maskers in Nederland terechtgekomen.

Het laatste deel van het boek gaat over de ‘pygmeeën’ van Nieuw Guinea en de plannen om voor hen een reservaat te scheppen. Hiertoe zag in 1938 het Verslag betreffende de mogelijkheden der bescherming van primitieve inboorlingen het licht. Zelfs Minister van Koloniën Charles Welter, een bewindsman die gewoonlijk niet gebukt ging onder politieke correctheid, sprak zijn weerzin uit tegen menselijke reservaten en verwees het plan resoluut naar de prullenbak. Overigens was het gebrek aan steun in de Tweede Kamer ook te wijten aan het feit dat centraal Nieuw Guinea dan afgesloten zou worden voor missie en zending. In één opzicht werd dit reusachtige eiland toch nog een reservaat, namelijk voor de laatsten der schedelmeters, die in het avondgloren van het Nederlandse kolonialisme nog één keer in de jaren vijftig met passer en meetlint hun gang konden gaan.

Het moge duidelijk zijn: Syslings boek is een genoegen om te lezen en blijft aangenaam, doordat het een genuanceerd beeld schetst van de vermeende politieke incorrectheid van de koloniale Nederlander. Het is een verhaal dat ook de wetenschapper van de 21ste eeuw een spiegel voorhoudt. Voor mij is het vooral een verhaal over wetenschappelijke integriteit.