Een leeg en maagdelijk gebied dat door de inzet van het Germaanse ras eindelijk zijn potentieel waar zou kunnen maken. Zo presenteren Nederlandse nationaalsocialisten begin jaren veertig de te koloniseren Baltische staten, Wit-Rusland en Oekraïne. In Hitlers broedervolk bestudeert historica en politicologe Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel de rol van Nederlanders in de nationaalsocialistische kolonisatie van Oost-Europa. Dit thema, inclusief de kenmerkende roof- en moordpraktijken, is eerder vooral behandeld als onderdeel van de bevolkings- en germaniseringspolitiek van het Derde Rijk. Dat is niet onlogisch, omdat het inderdaad een Duits initiatief was dat veelal door Duitsers werd uitgevoerd. Von Frijtag meent, in navolging van Mark Mazower, dat de Duitse imperialistische ambities in het Oosten niet los gezien kunnen worden van die in West-Europa. De casus van de Nederlandse betrokkenheid in de kolonisatie van delen van onder andere Litouwen en Oekraïne is hiervan een goede illustratie.

Anders dan in enkele andere bezette West-Europese landen, waaronder Noorwegen, Denemarken, België en Frankrijk, kwam het Duitse project in Nederland wel van de grond. Van 1941 tot 1944 trokken er zo’n 5500 Nederlanders naar Oost-Europa. Zij waren actief in allerlei takken van de economie (waaronder de landbouw, visserij en veenderij) en stichtten twee agrarische opleidingscentra. Aanvankelijk lag de organisatie van de Nederlandse oostinzet behalve bij de bezetter ook bij Nederlandse – niet noodzakelijk nationaalsocialistisch gestemde – ambtenaren. Hun deelname illustreert dat de Duitse landbouwambities in Oost-Europa in het straatje lagen van de bestaande Nederlandse landbouw-, voedsel en werkverschaffingspolitiek. Het project kwam echter al snel in meer nationaalsocialistische vaarwateren terecht, zeker toen NSB’er Meinoud Rost van Tonningen aan het hoofd kwam van de in 1942 opgerichte Nederlandse Oostcompagnie (NOC). Het was de bedoeling dat de NOC, waarvan de afkorting verwijst naar Nederlands koloniale verleden, een monopolie zou krijgen op alle Nederlandse activiteiten in het bezette Oost-Europa. In rap tempo bouwde Rost van Tonningen de NOC uit tot een flinke organisatie met dochtermaatschappijen voor de verschillende economische sectoren en buitenposten in Litouwen, Letland en Oekraïne. Ondanks deze professionele aanpak werd de Nederlandse oostinzet nooit echt een groot succes, omdat grote bedrijven zich liever niet associeerden met een zo openlijk nationaalsocialistische onderneming.

Het waren dus vooral individuele nationaalsocialistische rekruten die het werk moesten opnemen en ook daar ging van alles mis, vooral in het Oosten zelf. In plaats van de beloofde gelijkheid tussen Duitsers en Nederlanders bleef het project ondergeschikt aan de bezetter. Daarnaast waren de leefomstandigheden minder rooskleurig dan aanvankelijk beloofd. De huisvesting was vaak zeer pover en de armoede bij de lokale bevolking schrijnend. Na het keren van de oorlogskansen bestond er bovendien steeds de dreiging van de Sovjetopmars en vooral van lokale partizanen, die onder de Nederlandse kolonisten tientallen slachtoffers maakten. Dat alles zorgde ervoor dat het aantal nieuwe aanmeldingen kelderde en er van de ambities weinig terecht kwam. Von Frijtag oordeelt dan ook dat de Nederlandse oostinzet, onder andere door tijdsgebrek, uiteindelijk een mislukking was.

In haar boek kiest Von Frijtag voor een brede aanpak, waarbij het micro-, meso- en macroniveau alle aan bod komen. Die keuze is begrijpelijk, omdat het bronnenmateriaal het toelaat om over al deze aspecten conclusies te trekken. Toch werkt de gekozen aanpak niet altijd. Zo is er soms te veel aandacht voor de organisatorische kant van de zaak en komen de kolonisten zelf, ondanks dat we een goed beeld krijgen van hun dagelijks leven, onvoldoende tot leven. Ook op macroniveau had de auteur de lezer meer bij de hand kunnen nemen. Zo had de omvang van de operatie beter geduid kunnen worden, bijvoorbeeld aan de hand van een kaart met aanduiding van de gebieden waar de Nederlanders in Oost-Europa aanwezig waren. Desalniettemin is Von Frijtags werk een zeer welkom en volledig standaardwerk over de rol van Nederlanders in de Duitse kolonisatie van Oost-Europa.

Anders dan David Barnouw in zijn eerder gefragmenteerde schets Oostboeren, zee-germanen en turfstekers uit 2004, plaatst Von Frijtag de aanwezigheid van Nederlanders in Oost-Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog niet alleen in de traditie van de Duitse imperialistische ambities, maar verbindt ze deze ook expliciet aan de Nederlandse koloniale ervaringen en ambities. Dat uitgangspunt leidt tot de interessante conclusie dat de Nederlandse oostinzet ‘geen breuk of een abnormaliteit in de Nederlandse geschiedenis’ was. Volgens Von Frijtag moet het project gezien worden in verschillende reeds langer bestaande tradities: enerzijds die van de kolonisatie, anderzijds die van de door de Nederlandse overheid vanaf de jaren dertig aangemoedigde emigratie. Ook de aanhoudende malaise in de Nederlandse landbouw bevorderde de aantrekkelijkheid van vruchtbaar en zogenaamd leeg en onontgonnen land ver weg van huis. Een daarop aansluitende andere interessante conclusie is dat de Nederlandse medewerking aan de kolonisatie van Oost-Europa niet uitsluitend werd ingegeven door nationaalsocialistische overwegingen. Nationale belangen speelden een minstens even grote rol. Voor de Nederlanders waren de in eigen land schaarse grond en werkmogelijkheden zeer aantrekkelijk, evenals de mogelijkheid een vervanging te vinden voor de verloren afzetmarkt in Nederlands-Indië en het opvijzelen van het koloniale prestige. Voor de Duitsers speelden er net zo goed nationale belangen. Door de botsing van die belangen werden de Nederlanders vaak als tweederangs kolonisten behandeld. Dat was niet bevorderlijk voor de ‘nationaalsocialistische retoriek van raciale solidariteit en het schouder aan schouder opbouwen van een nieuwe Europese orde’: de nationale agenda’s ‘waren au fond onverenigbaar met elkaar en met het transnationale ideaal van het Groot-Germaanse Rijk’.

Een laatste belangrijk thema dat Von Frijtag behandelt, is de verhouding tussen de Nederlandse kolonisten en de lokale bevolking. De Nederlanders zagen zichzelf als vertegenwoordigers van het Germaanse ras en beschouwden de lokale bevolking als ‘de ander’. Die blik ging meestal gepaard met minachting en soms zelfs met geweld. In het gebied waar de Nederlanders zich vestigden was voor de oorlog behalve een Slavische ook een omvangrijke Joodse aanwezigheid geweest. De meerderheid van die Joodse bevolking was al voordat de Nederlanders arriveerden vermoord door Duitse Einsatzkommando’s en lokale bendes. De kolonisten konden nog overal de sporen zien van het vernietigde Joodse leven. Verschillende vrijwilligers voor de oostinzet profiteerden al in Nederland van de deportatie van hun Joodse landgenoten door bijvoorbeeld het opkopen van huizen. Ook in het Oosten profiteerden ze later van de achtergelaten bezittingen van vermoorde lokale Joden. Daarnaast werd er gebruik gemaakt van dwangarbeiders, waaronder niet zelden Joden waren. Von Frijtag beschouwt de Nederlanders van de oostinzet daarom als profiteurs van de genocide op de lokale Joodse bevolking.

Koloniale aspiraties, economische mislukking en profijt van genocide: Von Frijtag laat in Hitlers broedervolk zien dat de Nederlandse oostinzet een problematische onderneming was. Het was bovendien niet alleen een door de Duitse bezetter opgelegd nationaalsocialistisch project, maar paste ook in het vooroorlogse Nederlandse koloniale en sociaaleconomische beleid.