Zelden zal een leven direct na de dood zo definitief voorbij geweest zijn als dat van Gerard Brom. Had hij zijn hoofd na een leven vol van vurige strijd voor de katholieke zaak op 30 november 1959 nog maar net te rusten gelegd, leek hij direct in de sluimer der collectieve vergetelheid te zijn verdwenen. Er verschenen uiteraard enkele beschouwingen in dagbladen en Brom werd herdacht in de tijdschriften van de verschillende geleerde en eerbiedwaardige genootschappen waarvan hij deel had uitgemaakt, maar al snel trad een diepe stilte in. Deze werd nog slechts tweemaal doorbroken. De eerste keer na de postume publicatie van een brochure vol kritische kanttekeningen bij het katholieke leven van na de Tweede Wereldoorlog die na het overlijden van Brom in zijn nalatenschap was aangetroffen. De tweede keer na het verschijnen van een aantal ‘autobiografische notities’ van Brom die in 1987 door de Nijmeegse historici Jan Roes en Paul Luykx werden uitgegeven. In beide gevallen was de publicitaire aandacht kortstondig, waarna opnieuw die diepe stilte intrad die na het sterven van Brom gevallen was.

Nu is er dan de vuistdikke biografie waarin Paul Luykx, voormalig hoofddocent Nieuwste Geschiedenis te Nijmegen, opnieuw aandacht vraagt voor leven en werk van deze heraut van de katholieke herleving. Wat direct opvalt is hoezeer de auteur de na de dood van Brom ingetreden stilte accepteert. Nergens wordt gewag gemaakt van een blijvende betekenis van Brom of is de biografie een aansporing diens werken nog eens ter hand te nemen. Eerder lijkt het boek bedoeld als een poging een tijdperk dat met enig recht als voorgoed verleden tijd wordt voorgesteld nader te doordenken. De wetenschappelijke analyse van het katholieke leven tussen grofweg 1870 en 1960 staat centraal. Daarbij heeft Luykx weinig zin om voor zijn hoofdfiguur een spreekwoordelijk altaar op te richten. De ‘historiografische herlevingstraditie’ tot welke hij onder meer Brom zelf rekent, leverde naar zijn oordeel vooral hagiografieën af. Ook met de ‘traditionele, in theologische faculteiten beoefende kerkgeschiedenis’ rekent de auteur zonder veel omhaal van woorden af. Met zijn boek wil Luykx de kennis over ‘de katholieke herleving’ en de daarmee samenhangende cultuur en geschiedschrijving nader verkennen aan de hand van de levensloop van een van haar vooraanstaande protagonisten.

Gerard Brom werd geboren in 1882 in een welgesteld katholiek gezin. Zijn vader was edelsmid, zakelijk ging het hem sinds het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 voor de wind. Het aanzienlijke aantal nieuw te bouwen katholieke kerken zorgde immers voor een constante vraag waar de ‘smidse Brom’ graag aan voldeed. Zoon Gerard koos echter niet het levenspad van zijn al in zijn geboortejaar overleden vader. Waar broer Jan Henrik Brom de smidse voortzette, legde Gerard zich toe op de studie. In Utrecht verdiepte hij zich in de letteren om in 1907 te promoveren op een studie over Vondel. Met meer passie nog legde hij zich ondertussen toe op de verkondiging. Zeker na een tweejarig verblijf in Rome – waarover Luykx in een subliem gecomponeerd hoofdstuk tal van sprekende details boven water weet te halen – voelde hij zich geroepen het zijne te doen om de verdere verspreiding én versterking van het Nederlands katholicisme te bevorderen, met alle kracht die in hem was.

De eerste helft van het boek is chronologisch van opzet. Het volgt het leven van Brom zoals dat meer en meer in het teken kwam te staan van de katholieke herleving. In het tijdschrift De Beiaard (1915–1925) vocht hij menig polemiek uit met zowel geloofsgenoten als andersdenkenden. Tegelijkertijd ijverde hij voor de oprichting van een katholieke universiteit. Toen deze er na lang en soms onaangenaam onderling gekibbel in 1923 eenmaal was, werd hij er achtereenvolgens hoogleraar kunstgeschiedenis (1923–1945) en letterkunde (1946–1952). In die hoedanigheid publiceerde hij een stortvloed aan boeken en artikelen en gold hij als een van de meest vooraanstaande katholieke geleerden, wat overigens niet wilde zeggen dat hij in eigen kring onomstreden was. In al zijn publicaties en polemieken stond hij onwrikbaar voor zijn geloof. Naar eigen zeggen was hem de zegen gegund er nimmer een ogenblik aan te twijfelen. Zowel voor hen die dit wel deden als voor hen die het geloof beschouwden als iets wat er op zondag zo’n beetje bij gedaan kon worden, had hij weinig clementie. Al bij leven stond Brom bekend als een geharnast en streng geloofsverkondiger, zij het dat hij rond 1920 iets van zijn fanatisme scheen te hebben verloren.

Ondanks dat Luykx op momenten moeite heeft maat te houden in zijn beschrijving van het leven van zijn protagonist is de eerste helft van het boek onderhoudend. De belangrijkste momenten in het leven van Brom – zijn jaren in Rome, zijn ‘bekering’ tot een wat milder omgang met geloofsgenoten en andersdenkenden rond 1920 en zijn benoeming tot hoogleraar – worden kundig in de context van hun tijd geplaatst. Beloofde inzichten in de geschiedenis van de katholieken en hun verhouding tot de Nederlandse samenleving en cultuur zitten soms wat verstopt, maar zijn de moeite van het ontdekken meer dan waard. Het is dan ook jammer dat Luykx halverwege het boek de levensloop van Brom, die tot dan toe als chronologische kapstok van het verhaal gediend heeft, loslaat ten faveure van een meer thematische benadering. In de hoofdstukken die volgen staan onder meer de verhouding van Brom tot zijn collegae, de clerus en zijn internationale contacten centraal. Terwijl sommige van die hoofdstukken bijzonder interessant zijn, zoals de even gelaagde als genuanceerde beschouwing over de verhouding van Brom tot de clerus, geldt dat niet voor de volledige tweede helft van het boek. Het hoofdstuk over crisis en bezetting bijvoorbeeld bevat een lange verhandeling over de politieke biografieën die Brom schreef, welke uiteindelijk uitmondt in een weinig verhelderende analyse van Broms eigen politieke ideeën. De thematische hoofdstukken missen te veel vaart en richting om te blijven boeien en maken het boek onnodig dik. In afgeslankte vorm was het toegankelijker geweest en sommige van de thematische hoofdstukken hadden als artikelen zeker een geïnteresseerd lezerspubliek gevonden.

In zijn conclusie pakt Luyxk vervolgens de draad weer op en stelt hij zich na een korte analyse van de herinnering aan Brom, die zoals gezegd nogal snel vervloog, de vraag hoe die katholieke herleving nu precies begrepen en beschreven zou moeten worden. De auteur doet hier een aantal treffende en interessante voorstellen, maar het is van evenveel belang te signaleren wat er niet gebeurt. Allereerst laat Luykx bijna achteloos in een bijzin weten dat hij het woord verzuiling in heel zijn biografie niet heeft gehanteerd. Dit ‘door sociologen en politicologen gefabriceerde begrip’ acht Luykx al langer problematisch en de keuze is in dat opzicht dan ook niet verwonderlijk. Sinds het begin van de jaren tachtig trekt de auteur al ten strijde tegen het in zijn ogen karikaturale beeld van de Nederlandse katholieken als gesloten bastion van eenheid en volgzaamheid. Veel van die kritiek was terecht, ware het niet dat Luykx het beeld via een achterdeur weer bevestigde door vast te stellen dat er ook ‘andere katholieken’ waren die zich noch van de onderlinge eenheid noch van het gezag van de leiding al te veel aantrokken.

Deze ‘andere katholieken’ waren voor Luykx vooral het bewijs dat de katholieke verzuiling veel minder ver was voortgeschreden dan historici wilden doen geloven, een analyse die hij in menig polemiek naar voren heeft gebracht. Probleem was dat daarmee de katholieke eenheid eerder bevestigd dan genuanceerd werd. Spiegelbeeld van die andere katholieken waren immers de gewone of doorsnee katholieken die blijkbaar wel voldeden aan de typologie van de volgzame kudde.

In zijn biografie stapt Luykx af van de typering ‘andere katholieken’ en dat is buitengewoon verstandig. Want hoewel Brom gezien zijn complexe relatie met zijn geloofsgenoten en de clerus wellicht met enige goede wil wel als zodanig te typeren zou zijn geweest, was daarmee weinig nieuws toegevoegd aan het inzicht in het tijdvak dat Luykx met zijn boek wil verhelderen. Nu echter kiest de auteur ervoor Brom te positioneren als een van de strijders in het grote Nederlandse conflict om de vraag naar het wezen van de natie. Luykx leent hiervoor de Engelse term culture war en verwijst naar de Duitse Kulturkampf. Het zijn interessante aanzetten om de jaren tussen grofweg 1850 en 1950 vanuit een ander perspectief te doordenken. Want hoeveel historici de concepten verzuiling en ontzuiling ook met recht te grave gedragen hebben, een nieuw analysekader om deze periode wel te begrijpen is tot op de dag van vandaag niet ontwikkeld. Het valt te prijzen dat Luykx de slotbeschouwing van zijn biografie aangrijpt om hiervoor een aantal verstandige suggesties te doen. In de voorliggende pagina’s is aan Gerard Brom zijn rechtmatige plaats toebedeeld in het pantheon van het Nederlands katholicisme.