The time that the history of science was about particular individuals of genius and their discoveries is now in the past. In recent decades historiographical attention has shifted from the scientists and their ideas to the broader social and cultural processes of knowledge production. As a result, the role of institutions, networks, money and power has received more attention, as have the parts played by spatial and material aspects such as architecture, infrastructure, instruments and animals. Among other things, historians sought the answer to the question of how and why certain forms of knowledge were accepted as true or authoritative in a particular context, while others were not. This has led to the scientists themselves coming back into the picture.

What expectations must scholars meet in a particular period and particular discipline in order to be accepted as a ‘scientist’? Did having a long beard, a reclusive way of life and weak physical constitution show that someone was learned, or on the contrary, were these indications of being unsuitable to pursue a scientific career? Could a black woman give just as great an impression of learning as a white man? And how did individual scholars deal with the collective cultural images of what a ‘real’ scientist should be?

The concept of ‘persona’ can help us here: it focuses attention on the cultural limits within which a person can be or can become a scientist in a particular period. The mutual influence of the changing collective standards and individual strategies is of central importance. In this special issue under the guest editorship of the historian Herman Paul, the potential of this concept in the history of science and intellectual history is explored – a first for the historiography of the Low Countries.

On behalf of the editors,

KAAT WILS

De tijd dat wetenschapsgeschiedenis een geschiedenis van geniale denkers en hun ontdekkingen was, ligt ver achter ons. Tijdens de voorbije decennia verschoof de historiografische aandacht van de wetenschapper en diens denkwerk naar het bredere maatschappelijke en culturele proces van kennisproductie. Daarbij ging onder meer aandacht naar de rol van instituties, netwerken, geld en macht. Even goed kwamen de rol van ruimtelijke en materiële aspecten zoals architectuur, infrastructuur, instrumenten of dieren aan bod. Historici zochten onder meer antwoorden op de vraag hoe het komt dat bepaalde vormen van kennis in een gegeven context als waar of gezagvol werden aangezien, en andere vormen niet. Daarbij kwam de wetenschapper zelf opnieuw in beeld.

Aan welke verwachtingen en ideaalbeelden moest een geleerde in een bepaalde periode of binnen een bepaalde discipline voldoen om gehoord te worden? Vormden een lange baard, een teruggetrokken bestaan en een zwakke lichamelijke constitutie een teken van geleerdheid, of veeleer een teken van ongeschiktheid voor de wetenschap? Kon een zwarte vrouw even veel geleerdheid uitstralen als een blanke man? En hoe gingen individuele wetenschappers om met collectieve, culturele verbeeldingen van wat een ‘echte’ wetenschapper is?

Het concept ‘persona’ kan hierbij behulpzaam zijn: het richt de aandacht op de culturele krijtlijnen waarbinnen een persoon in een gegeven periode wetenschapper kon zijn of worden. De wisselwerking tussen veranderende collectieve normen en individuele strategieën staat daarbij centraal. In dit themanummer onder gastredactie van historicus Herman Paul wordt het potentieel van dit concept voor de wetenschaps- en intellectuele geschiedenis verkend – een primeur voor de historiografie van de Lage Landen.

Namens de redactie,

KAAT WILS