Een bruegheliaanse processie trekt aan de lezer voorbij. Een zelfgeknutseld wagentje in de vorm van een paasei, dit vanwege de ‘Kom-paas-atie-actie’ (de compensatie voor overuren). Of dienstplichtigen die als ludiek protest tegen de groetplicht dan maar alles en iedereen groeten: bomen, planten, gebouwen of de waakhond. Het kon niet gek genoeg. Coreline Boot, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), onderzocht de kritiek die bepaalde groepen leverden op de krijgsmacht tijdens de Koude Oorlog. Daarbij onderscheidt ze kritiek op de bestaanswijze van de krijgsmacht (met name door de Vereniging van Dienstplichtige Militairen, VVDM) en op haar bestaansrecht (met name door antimilitaristische groepen als Onkruit).

De rode lijn door Boots betoog is helder. Defensie wist zich doorgaans niet goed raad met de kritiek en de protesten. Repressie of gedogen? Dat was de vraag. Het ministerie liet zich verrassen door de oprichting van de VVDM (1966) en door een reeks acties in de daaropvolgende jaren. Het apparaat kwam pas in beweging als de critici (‘deze zeer negatief ingestelde lieden’, in de woorden van een topambtenaar) zich sterker roerden. Soms was de reactie ronduit paniekerig, aldus Boot. Steeds was er de vrees dat de kritiek ook de legitimiteit van de krijgsmacht zou aantasten. Dan zou onvermijdelijk de gevechtskracht tanen. Een doodzonde, nu de Russen voor de deur stonden. De haardrachtkwestie illustreert deze houding. Minister van Defensie Willem den Toom refereerde in 1971 als afschrikwekkend voorbeeld naar een eerder werkbezoek aan Zweden. Hij was toen getuige hoe een langharige militair ‘praktisch gescalpeerd’ werd. De buitenlandse pers hanteerde termen als ‘the hippy army’ of ‘the shaggy army’. De Nederlandse Kappersbond werd om advies gevraagd: een kapsel met de haren boven juist de kraag bleek afdoende modieus...

De kracht van Boots tot handelseditie bewerkte dissertatie ligt vooral in de rijke en vermakelijke details. Het betoog verveelt eigenlijk nooit. Boot had toegang tot de archieven van de inlichtingendiensten die de kritische militairen in de gaten moesten houden. Deze diensten wisten zich ook niet goed raad met de ludieke acties van met name de VVDM. Het gevaar van de antimilitaristen (inclusief hun sabotagenota’s en een Volksuniversiteit voor Sabotage) was dan alweer wat scherper omlijnd. Maar ook dan overheerste vaak de knulligheid. Zoals in 1981, toen Onkruit op klaarlichte dag inbrak bij het Provinciaal Militair Commando in Amsterdam. De wacht droeg geen wapen. Dat lag – samen met de patronen – in een kast waarvan hij de sleutels niet had. De actievoerders stalen documenten en dumpten de rest in de tuin. De stukken waren uren later nog steeds niet opgeruimd. Medewerkers liepen doodleuk door kamers die rechercheurs nog niet hadden onderzocht op sporen. De daders zijn nooit gepakt. Het verbaast niet.

Rond 1980 verloor de kritiek veel van haar kracht. De VVDM zag een belangrijk deel van haar praktische eisen ingewilligd. De groetplicht was afgeschaft en er kwam een compensatieregeling. Langer haar of baard? Dat mocht, mits het gasmasker nog luchtdicht afsloot. Met vérdergaande eisen, zoals een stakingsrecht, overspeelde de VVDM duidelijk haar hand. Daar was politiek of maatschappelijk simpelweg geen steun voor. De neutronenbom en de kruisrakettenkwestie gaven rond 1980 tijdelijk extra voedsel aan het protest. Toen in de loop van de jaren tachtig de kruisraketten wegbleven en de Koude Oorlog verpieterde, viel de grondslag onder de kritiek echter definitief weg.

Het moet een hele klus zijn geweest om Het leger onder vuur inhoudelijk binnen de lijnen te houden. De thematiek bestrijkt immers een scala aan onderwerpen: het defensiebeleid, de vermaatschappelijking in de jaren zestig en zeventig, de civiel-militaire relaties, enzovoorts. Boot plaatst ook de zogenoemde ‘gewapende weerbaarheidsorganisaties’ in het rijtje van critici. Deze organisaties vreesden in de eerste jaren na 1945 dat de krijgmacht niet krachtig genoeg zou zijn om de communistische dreiging onschadelijk te maken. Het gros van de militaire inspanning richtte zich immers op Nederlands-Indië en de CPN had in 1946 flinke electorale winst geboekt. Hoe boeiend ook als fenomeen, het is de vraag of de weerbaarheidsorganisaties zich zomaar op een lijn laten stellen met het veel speelsere protest van met name de VVDM. De weerbaarheidsorganisaties waren strikt ideologisch gedreven (‘om Neerlands troon geschaard, diens trom en vlag bewarend’) en haalden de – overigens zeer wantrouwige – regering als het ware rechts in. Dan waren de dienstplichtigenorganisaties toch van een andere, mildere signatuur. Hun eisen vloeiden grotendeels voort uit een kritische jongerencultuur en waren vooral van praktische aard.

Het valt overigens op dat de ondertitel van Het leger onder vuur spreekt van ‘de Koninklijke Landmacht en haar critici’. Het betoog is toch duidelijk weidser van opzet. Sterker nog, een prominente criticus-publicist als Meindert Stelling had een luchtmachtachtergrond. Tegelijk valt op dat Boot in de conclusies steeds refereert naar ‘Defensie’ als collectief, terwijl daar juist grote verdeeldheid heerste over het juiste antwoord op het protest. Een reactief gedoogbeleid was in de meeste gevallen de weg voorwaarts, zelfs in het zo principiële geval van gewetensbezwaarden. Een strenge strafrechtelijke aanpak (maandenlange gevangenisstraffen) viel slecht bij andere ministers, een meerderheid in de Tweede Kamer en de publieke opinie. Het Openbaar Ministerie laadde ook liever niet het odium van fatsoenrakker op zich en maande tot terughoudendheid. Bagatelliseren of negeren van de kritiek was in zijn ogen effectiever. Minister Henk Vredeling willigde een deel van de eisen van de VVDM in, maar sloot de deur toen de vereniging wilde doorpakken. Dat de krijgsmachttop doorgaans conservatiever reageerde, is evident. Boot sluit af met het advies aan Defensie om in vergelijkbare situaties (lees: het heden) beter te communiceren over haar legitimiteit en pro-actief te handelen. Hoe dit concreet zou moeten gebeuren, blijft helaas in het midden.

Het leger onder vuur is een zeer goed leesbare en onderhoudende studie. Nu eens gaat het over de ondraaglijke last van koperpoetsen, dan weer over de instelling van lectuurcommissies. Doet men een paar passen terug, dan verbaast het hoezeer een luidruchtige, maar toch betrekkelijk marginale groep critici zo veel reuring kon veroorzaken. Dit vooral in de wetenschap dat – zoals het ministerie en de topmilitairen nota bene zelf erkenden – de legitimiteit van de krijgmacht of de NAVO als zodanig eigenlijk nooit ter discussie stond. Opinieonderzoeken schraagden deze vaststelling telkens weer. Sterker nog, erg veel belangstelling legde de bevolking niet aan de dag voor de vaderlandse defensie. Een mooi gevalletje van beeld versus werkelijkheid waar Pieter Brueghel wel raad mee zou weten.