Inleiding

Vertegenwoordigers van de Nederlands Joodse gemeenschap sluiten in 2000 akkoorden met de verzekeraars, de regering, de banken en de beurs. In de onderhandelingen vallen uiteenlopende termen zoals erkenning, restitutie en compensatie, moreel erfgenaam zijn, spijtbetuiging, gebaar en morele genoegdoening. Het gaat om het in geld uitdrukken van materiële en morele punten. In 2000 komt er een aanvulling op het zogeheten rechtsherstel dat in de wederopbouwperiode plaatsvond. Met de akkoorden wordt 764 miljoen gulden betaald aan de Joodse gemeenschap. Het overgrote deel gaat naar de in december 2000 opgerichte Joodse stichting Maror die de gelden verdeelt.1 Vanaf december 2000 worden door Maror individuele en collectieve bedragen uitgekeerd aan de Nederlands Joodse gemeenschap.

De Nederlandse akkoorden passen in een internationale ontwikkeling. Eind jaren negentig ontstaat wereldwijd interesse voor wat gebeurd is met het Nazi-goud, ‘slapende’ bankrekeningen, polissen, effecten, kunst, onroerend goed. Het culmineert in belangrijke internationale conferenties. In een kleine veertig landen worden onderzoekscommissies ingesteld en wetenschappelijke rapporten opgesteld. Grote betalingen volgen waarbij Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en Nederland de kroon spannen. Na 2001 neemt de internationale aandacht af en verdwijnt het onderwerp van de Joodse tegoeden grotendeels van de politieke agenda.2 Uitzondering vormt het terrein van de roofkunst waar tot op de dag van vandaag onderzoek en restitutie plaatsvinden.

De geschiedenis van de totstandkoming van de Nederlandse akkoorden in 2000 is tot nu toe niet door historici beschreven. De beschikbare literatuur is summier. Ook de hoofdpersonen van toen hebben niet systematisch teruggeblikt, het is gebleven bij enkele aanzetten.3 We weten niet wat de procesfactoren waren in het restitutieproces eind jaren negentig. Waar ging het precies om, hoe liepen de overleggen en wat zijn de hefbomen geweest die tot deze akkoorden geleid hebben? Op al deze vragen hoop ik in een aankomend proefschrift in te gaan.4

In dit artikel gaat het mij om een andere vraag. Hoe moeten de uitkomsten van het Nederlandse restitutieproces rond 2000 beoordeeld worden? Daarbij maak ik gebruik van criteria en begrippen ontleend aan theorievorming binnen het interdisciplinaire onderzoeksterrein dat bekend staat als Transitional Justice. Theorieën van Transitional Justice beschrijven en systematiseren mechanismen en benaderingen die de erfenis van massale mensenrechtenschendingen uit het verleden proberen aan te pakken en te herstellen. In deze theorieën worden die processen in termen van recht, rechtvaardigheid en moraliteit beoordeeld. De processen leiden tot materiële en immateriële genoegdoening, het belijden van schuld, uitspreken van excuses en wijzigende geschiedbeelden.5

Het omvangrijke restitutieproces in de jaren negentig geldt als één van de eerste mondiale voorbeelden van beleid waarin gepoogd wordt om onrechtvaardige gebeurtenissen uit het verleden terug te draaien of – als dat niet kan – dragelijker te maken. In dit artikel wil ik nagaan hoe het begrip ‘reparations’ gebruikt kan worden om de uitkomsten van het Nederlandse restitutieproces te waarderen. De akkoorden van de Joodse gemeenschap met de banken, verzekeraars, beurs en overheid zijn vanuit deze vraagstelling te analyseren. De Nederlandse casus kan verhelderd worden aan de hand van centrale begrippen van Transitional Justice en onderstreept dat deze begrippen van praktische betekenis kunnen zijn.

Om de akkoorden te kunnen beoordelen, is de term ‘reparations’, zoals hierboven uiteengezet, bruikbaar. De Nederlandse akkoorden over Joodse oorlogstegoeden kunnen geclassificeerd worden naar de verschillende typen van ‘reparations’. Dan blijkt dat in de akkoorden voorbeelden te vinden zijn van (morele vormen van) restitutie, van compensatie voor onrecht uit het verleden en van het uitspreken van excuses.

Het interessante van de Nederlandse casus is dat deze termen een verklarend begrip bieden waar de partijen elkaar op hebben gevonden, al geven zij niet dezelfde invulling aan dat begrip. Restitutie wordt door de Nederlandse overheid niet zozeer in juridisch zin, maar vooral in moreel-politieke zin begrepen. Bovendien tracht de Nederlandse overheid een juridisering van de kwestie te voorkomen door het gebruik van de term restitutie zoveel mogelijk te vermijden, en gaat zij in haar formele uitingen niet verder dan ‘erkenning van morele aanspraken’. Joodse organisaties hameren juist op het juridische aspect: ‘we willen geen medelijden, maar terugkrijgen waar we recht op hebben’.6 Omdat een term als ‘restitutie’ in een context van Transitional Justice zowel juridisch als zuiver moreel kan worden begrepen, komt men toch tot een vergelijk, waarbij de Joodse organisaties liever in termen van recht en restitutie spreken en de overheid in termen van morele aanspraken of moreel gebaar. De centrale noties die de Nederlandse akkoorden domineren, moeten derhalve worden begrepen als een noodzakelijk ambigue mix van morele en juridische categorieën.7 De praktische betekenis is dat zaken uit het verleden onder vage noemers als ‘morele aanspraken’, ‘rechtsherstel’ of ‘restitutie’ alsnog bespreekbaar worden gemaakt en worden gecorrigeerd waar juridisch de weg daartoe gesloten leek. De multi-interpretabele begrippen die aan theorievorming van Transitional Justice zijn ontleend maken een vergelijking mogelijk tussen partijen die er heel verschillend tegenaan kijken. Ondanks de huivering van de overheid en financiële instellingen om in strikt juridische termen te spreken, blijft er in de akkoorden en de begeleidende stukken een verwijzing naar het recht aanwijsbaar hetgeen aan Joodse zijde bijdraagt aan de legitimiteit van het gehele proces. Zo wordt zoals gezegd gesproken over de ‘erkenning van morele aanspraken’ of de Joodse gemeenschap als ‘moreel rechthebbende’ of ‘moreel erfgenaam’ van zaken en gelden van omgekomen Joodse oorlogsslachtoffers. De moraal wordt met juridische termen geladen waardoor hij voor de representanten van de Joodse gemeenschap, die in termen van recht blijven spreken, aanvaardbaar wordt gemaakt.

Transitional Justice

Transitional Justice bestrijkt een uiterst breed terrein waarbinnen zowel wetenschappers als beleidsmakers, maar ook activisten opereren. Het is zowel een wetenschap als een handelingspraktijk. In theorieën op het terrein van Transitional Justice is het uitgangspunt dat een gewelddadig verleden verwerkt moet worden om een stabiele, vreedzame toekomst te kunnen opbouwen.8 De opkomst van Transitional Justice als prominent onderzoeks- en beleidsterrein viel samen met de grote politieke veranderingen in landen in Latijns-Amerika, Zuid-Afrika, Centraal- en Oost-Europa sedert het einde van de jaren tachtig van de twintigste eeuw. In veel van deze landen ‘in transitie’ was vanaf dat moment sprake van vrede, een zekere mate van (economische) stabiliteit, controle van de staat over het eigen grondgebied, en de politieke wil om het verleden onder ogen te zien – randvoorwaarden die ertoe bijdroegen dat het adresseren van groot onrecht uit het verleden in de betreffende landen mogelijk was. De Amerikaanse historicus Elazar Barkan bestempelde de golf van restitutiezaken in de jaren negentig als ‘a new globalism’. Barkan zag restitutie als de belichaming van het toegenomen internationale belang van moraliteit en de groeiende democratisering van het politieke leven. Hij sprak over een ‘moral economy of restitution’ en was optimistisch over de mogelijkheden die de reparatie van Holocaust-gerelateerd onrecht voor diverse groepen slachtoffers van andere vormen van extreem onrecht uit het verleden bood.9

Barkan zag eind jaren negentig op vele plaatsen bereidheid van daders en slachtoffers om vrijwillig te onderhandelen over juridische claims en tegenstrijdige voorstellingen van het verleden. In latere publicaties bepleitte hij steeds sterker het nut van ‘historische dialogen’ om te komen tot een houdbare vrede die ook echt tot verzoening zou leiden.10 Dit was zijns inziens een wereldwijd toepasbaar frame voor de oplossing van conflicten die stammen uit het verleden. De uitkomst daarvan was idealiter het resultaat van een door het recht bemiddeld onderhandelingsproces. Restitutie was voor hem niet alleen een juridische categorie maar ook een cultureel-maatschappelijk concept. Wat Barkan ‘restitution’ noemde, ging daarmee overeenkomen met wat andere auteurs als Torpey en Marrus ‘reparations’ noemden.

In het voetspoor van Barkan schreef de Amerikaanse socioloog John Torpey baanbrekende publicaties over ‘reparations politics’ waarin hij inzichten uit de geschiedenis, politiek, sociologie en filosofie met elkaar verbond. Hij ging in op de toegenomen behoefte om met het verleden in het reine te komen (‘coming to terms with the past’). Torpey sprak over ‘repairing history’ en ‘making whole what has been smashed’. Dat kreeg medio jaren negentig een enorme impuls toen individuen en groepen zich meldden met een roep om ‘reparations for the Holocaust’.11 Torpey schetste hoe ‘reparations’ op symbolische wijze vorm konden krijgen via excuses, het oprichten van gedenktekens en musea of via financiële compensatie. Torpey en daarna vele anderen pasten deze benadering toe op de restitutieprocessen met betrekking tot Joodse oorlogstegoeden en vervolgens op andere casus zoals de (vooral in Amerika gevoerde) strijd om compensatie voor slavernij of de wijze waarop het huidige Zuid-Afrika een antwoord geeft op de misdaden ten tijde van de Apartheid. De alomvattende term in de Engelstalige literatuur voor dit soort processen is ‘reparations’, een begrip waarvoor geen adequate Nederlandse vertaling bestaat. Er is een heel handboek van ‘reparations’.12 De Zwitserse historica Regula Ludi schreef erover:

In the meantime, reparations have come to encompass a wide range of claims, including those to establish historical truth, official acknowledgment of wrongs, apologies, commemoration, memorials, and other cultural practices.13

‘Reparations’ zijn volgens Ludi dus slachtoffergericht, classificeren gebeurtenissen in het verleden als verkeerd, houden procedures in om slachtoffers te vinden en gaan in op het probleem wie verantwoordelijk is.14

Het centrale begrip ‘reparations’ werd door Marrus onderscheiden in: 1. restitution, 2. compensation en 3. satisfaction (zie schema).15 Het is een werkbaar onderscheid, ook al blijven de gehanteerde begrippen open, ambigu en vaag. In het navolgende zal ik echter laten zien dat de vaagheid en ambiguïteit van deze begrippen weliswaar vaak bekritiseerd zijn, maar in de praktijk juist vanwege hun vaagheid een belangrijke verzoenende rol kunnen vervullen bij het vinden van een antwoord op onrecht uit het verleden.16

Schema van verschillende soorten reparations.

Bij restitutie krijgt iemand of een nabestaande in beginsel terug wat ooit aan haar of hem toebehoorde. Dan gaat het bijvoorbeeld om tegoeden of goederen. Bij compensatie wordt financieel ‘goedgemaakt’ wat destijds in materieel en/of immaterieel opzicht op onrechtvaardige wijze is geschied. Er is schade opgetreden voor iemand en dat wordt, met een hedendaagse blik ernaar kijkend, rechtgezet. Een excuus wordt uitgesproken om ruiterlijk te erkennen dat verantwoordelijken in het verleden fout gehandeld hebben.

Kentering en onderzoek

Medio jaren negentig keerde het thema van de Joodse tegoeden uit de Tweede Wereldoorlog terug op de politieke agenda. De kentering is opmerkelijk omdat restitutie decennialang internationaal geen onderwerp van betekenis was.17 De wereldwijde kentering in aandacht voor de Joodse oorlogstegoeden kwam door een samenstel van redenen. Wat het eerst veranderde, was de herinnering aan de oorlog zelf. Deze kreeg vanaf de jaren tachtig meer publieke aandacht. Onder invloed van films als Schindler’s List ontstond meer begrip voor het slachtofferschap in de Joodse gemeenschap. Er kwam aandacht voor de ondergedoken kinderen, voor oorlogstrauma’s. Over wat de Joodse gemeenschap tijdens en na de Tweede Wereldoorlog had moeten doorstaan werden vele verhalen verteld. Daarbij kwamen de beroving en restitutie van Joodse tegoeden ook ter sprake.

In de jaren negentig werd het onderwerp van de Joodse oorlogstegoeden politiek geagendeerd. In de bestuurskundige literatuur werd dit een ‘policy window’ of een ‘window of opportunity’ genoemd: een raam dat opengaat en zich na enige tijd weer sluit.18 Enkele factoren droegen hiertoe bij: de val van de Muur, de openstelling van Oost-Europese archieven na 1989, de globalisering van de economie en de mensenrechten, de mogelijkheden die het Amerikaanse rechtssysteem bij de agendering van dit soort gevallen biedt.

Vanaf 1995 groeide er snel officiële steun voor dit onderwerp. Een krachtige Joodse lobby in de Verenigde Staten begon restitutievraagstukken wereldwijd te agenderen. Een centrale rol speelde hierbij het World Jewish Congress (WJC), die het optreden van de Zwitserse banken nader ging onderzoeken. Het WJC is een organisatie die sinds 1936 opkomt voor de belangen van Joden overal ter wereld. Het hoofdkantoor is in New York gevestigd. De wijze en stijl van opereren is Amerikaans en direct. Deze organisatie ziet zichzelf als moreel erfgenaam van Joodse tegoeden als erfgenamen ontbreken.

Tenslotte hadden de media een belangrijke rol. Zij publiceerden berichten over het Nazi-goud (‘roofgoud’) dat door de nazi’s verhandeld was met de ‘neutrale’ landen. Na de oorlog werd goud door de geallieerden die verenigd waren in de Tripartiete Goud Commissie (TGC), teruggegeven aan de staten waarvan het afkomstig was. In 1997 kwam de allerlaatste tranche ter beschikking. Dit kreeg een belangrijke betekenis omdat er berichten waren dat dit goud niet alleen van monetaire oorsprong zou zijn, maar wellicht ook afkomstig van Joodse slachtoffers uit de concentratiekampen. President Clinton gaf zijn onderminister Stuart Eizenstat de opdracht om onderzoek te doen naar het Nazi-goud en het gedrag van de neutrale staten in de Tweede Wereldoorlog.19

Verder schreven de media steeds meer over ‘slapende’ rekeningen van Joden bij Zwitserse banken. Meestal ging het om coderekeningen. Nabestaanden van vermoorde Joden meldden zich bij Zwitserse banken en werden afgescheept omdat zij niet een nummer van een rekening of het overlijdensbericht van hun verwanten konden tonen. Het leidde in de Verenigde Staten – waar zij wel gehoor vonden – tot de eerste hoorzittingen van de Senaat en gerechtelijke procedures over deze rekeningen.

Ook in Nederland trad geleidelijk een kentering op in aandacht voor de Joodse tegoeden. De historicus Gerard Aalders ging in de jaren negentig gedetailleerd onderzoek doen naar de Joodse oorlogstegoeden.20 De Nederlandse media namen vanaf 1995 steeds meer internationale berichten op over Joodse tegoeden.

In kringen van De Nederlandsche Bank rees het besef dat de internationale ontwikkelingen rondom het Nazi-goud en slapende rekeningen gevolgd moesten worden. Na afstemming met minister van Financiën Gerrit Zalm ging een commissie onder leiding van Commissaris van de Koningin Jos van Kemenade vanaf maart 1997 officieel aan het werk. De commissie zou onderzoeken of Nederlanders dan wel Nederlandse organisaties nog konden claimen in het buitenland. Uit de commissie-Van Kemenade werd een nieuwe commissie opgericht toen in de zomer van 1997 de focus langzaam naar Nederland zelf verschoof. Daar zat overigens niet het idee achter dat dingen moesten worden rechtgezet. Een commissie onder voorzitterschap van de net afgetreden Vicepresident van de Raad van State Willem Scholten verrichtte onderzoek naar ‘de feitelijke systematiek rond het rechtsherstel’ aangaande financiële tegoeden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bij banken en verzekeraars in Nederland. De commissie onthield zich van een op specifiek individuele gevallen toegespitst onderzoek. Beide commissies werden niet van regeringswege ingesteld, maar kregen wel de zegen van minister van Financiën Gerrit Zalm mee.

De ontwikkelingen in het buitenland en de instelling van beide onderzoekscommissies vielen toevallig samen met de oprichting van het Centraal Joods Overleg (CJO) in maart 1997. Al enige jaren was er met name bij de Joodse kerkgenootschappen een toenemende behoefte om aan gezamenlijke externe belangenbehartiging te doen richting de overheid. In het CJO waren de drie Joodse kerkgenootschappen, het Joods Maatschappelijk Werk, het Centrum Informatie en Documentatie over Israël en de Federatie van Nederlandse Zionisten vertegenwoordigd (zie de foto uit CJO-nieuws). Het CJO werd niet opgericht vanwege de Joodse tegoeden, maar al snel ging dit thema voor 95 procent de vergadertijd van het CJO bepalen.

Als gevolg van de Liro-affaire begin december 1997 werd de schijnwerper volledig op Nederland zelf gericht. Liro staat voor Lippmann, Rosenthal & Co, de Amsterdamse bank in de Sarphatistraat waar Joden in de oorlog op last van de Duitse bezetter hun bezittingen moesten afgeven. De vondst van een slordig beheerd archief van Joodse kleinoden en de ontdekking dat deze kleinoden geveild waren onder Financiën-ambtenaren gaven een enorme ophef. Het was de opmaat naar een hernieuwde wetenschappelijke en maatschappelijke discussie over de roof en restitutie van Joodse oorlogstegoeden. Die restitutie vond in de naoorlogse jaren plaats door de Raad voor het Rechtsherstel.

De Liro-affaire fungeerde als katalysator. Op de ontdekte Liro-kaarten stonden geroofde Joodse kleinoden vermeld. Direct na de Liro-affaire schoof het CJO bij Zalm aan tafel om gezamenlijk te overleggen wat er moest gebeuren. Niet veel later berichtte Zalm tegen de Tweede Kamer ‘geen stap meer te verzetten zonder het CJO’.21 Zalm installeerde vervolgens een commissie onder leiding van oud-Rekenkamerpresident Frans Kordes, die deze affaire binnen een maand uitzocht. De commissie-Kordes merkte in haar eerste rapport eind januari 1998 op dat ‘zij het belangrijk vindt dat Nederland door dit voorval doordrongen raakt van alle onrecht en leed dat de Joden is aangedaan’.22 Hierna kreeg Kordes de opdracht om een rapport te schrijven over de roof en het rechtsherstel van Joodse goederen.

Naast de commissies-Van Kemenade, -Scholten en -Kordes was een vierde commissie actief onder leiding van kunsthistoricus Rudy Ekkart. Deze richt zich op geroofde Joodse kunstwerken en blijft hier verder buiten beschouwing. In december 1998 rapporteerde de commissie-Kordes over de roof en het rechtsherstel met betrekking tot Joodse goederen.23 De commissie wees op vier nadelen die in en na de oorlog voor de Joodse boedels opgetreden zijn vanwege de door de Duitse bezetter in rekening gebrachte kosten van de kampen Westerbork en Vught en hoe hier na de oorlog door minister Lieftinck mee omgegaan is; belastingheffing in de oorlog; successiebelasting na de oorlog en geheven administratiekosten bij de afwikkeling van de Joodse boedels na de oorlog.

Vergadering van het CJO in 1998: aan de kop van de tafel H. Markens (voorzitter) en dan met de klok mee: R. Blitz (notulist), R. Naftaniël, A. Roet (Platform Israël), H. Hes, R. Wurms, D. Cohen Paraira (vice-voorzitter) en J. Sanders (secretaris). E. Numann en H. Vuijsje (waarnemer jmw) ontbreken op de foto.

Centraal Joods Overleg (cjo), Amsterdam.

De belangrijkste aanbeveling van de commissie-Kordes aan de regering was om 48,4 miljoen gulden als smartengeld uit te keren aan de Joodse gemeenschap. Dit diende volgens Kordes te gebeuren in de vorm van een collectieve uitkering te bestemmen voor sociale, onderwijskundige en culturele doelen. De 48,4 miljoen gulden was niet bedoeld als een materiële schadevergoeding aan individuele personen. Gelet op het gelijkheidsbeginsel dat beoogt rechtvaardigheid te betrachten, moest de regering volgens Kordes vasthouden aan wettelijke verval- en verjaringstermijnen. Dat gold ook voor de zaken waarvoor de commissie vanuit een moreel oogpunt smartengeld bepleitte. De commissie liet het aan de regering over om een uitspraak te doen over de factor geldontwaarding.

In december 1999 concludeerde de commissie-Scholten in algemene zin dat er een bevredigend rechtsherstel voor de financiële sector heeft plaatsgevonden.24 Dit milde oordeel over de financiële sector gold niet voor de bij het effectenrechtsherstel betrokken partijen. Bij de effecten was er volgens de commissie-Scholten sprake geweest van evidente spanningen tussen enerzijds de feitelijke uitvoering van de regelgeving met betrekking tot het rechtsherstel en anderzijds de Nederlandse rechtsorde. De ministers van Financiën en van Justitie zijn na de oorlog bezweken voor de druk van de effectenhandel. Door te dreigen met een beursstaking en een daadwerkelijke beursstaking van één dag verzette de beurs zich tegen het rechtsherstel. Mede daardoor kwam tot 1953 van feitelijk rechtsherstel zo goed als niets terecht. De beurs kreeg het advies van de commissie-Scholten om een financiële tegemoetkoming te regelen. De staat moest een symbolisch bedrag overmaken omdat het wettelijk afkoopsommen van Joodse polissen ontving evenals Joodse nalatenschappen, Joodse effecten en de boedel van het Nederlands Beheersinstituut (de afwikkelende instantie). Ook moesten regering en parlement terugkomen op een beslissing uit 1976 om het resterend batig saldo van het Waarborgfonds aan de algemene middelen te laten doen toevloeien. Ten slotte moesten de ministers van Financiën en Justitie aangeven wat er gebeurd is met hun toezegging in 1976 om een studie te maken van de ‘onvindbare crediteuren’.

Het overkoepelende eindrapport van de commissie-Van Kemenade over roof en rechtsherstel verscheen in januari 2000. De commissie was van mening dat de regering destijds het rechtsherstel voor ‘gedepossedeerden’ van minder groot belang heeft gevonden dan de algemene wederopbouw van Nederland. Het rechtsherstel werd door de Nederlandse regering opgevat als één van de uitzonderlijke maatregelen die in het kader van de wederopbouw genomen moesten worden. De commissie liet ook uitgebreid de historicus Peter Klein aan het woord die concludeerde:

Het vermogensrechtsherstel is in naoorlogs Nederland niet een zaak van louter recht en rechtvaardigheid geweest, waarover nog betrekkelijk eenvoudig te oordelen valt. In het geding was een wisselende veelheid van krachten en machten. Zij kwamen voort uit de politieke, de staatkundige, de economische, de sociaal-psychologische en sociale verhoudingen, ja uit het hele veld van maatschappelijke betrekkingen. Oordelen over het naoorlogse vermogensrechtsherstel is – zo gezien – oordelen over Nederland en zijn natie. Dat maakt de geschiedenis van het naoorlogse rechtsherstel er niet eenvoudiger op.25

De commissie-Van Kemenade adviseerde de regering ten eerste om tegenover de Joodse gemeenschap ruiterlijk te erkennen dat ondanks de goede bedoelingen van de overheid destijds, onderdelen van het rechtsherstel en sommige aspecten van het overheidshandelen tot consequenties hebben geleid die als onbillijk of onrechtvaardig moeten worden beschouwd. Het tweede advies hield in dat daarom op morele gronden nu alsnog ten behoeve van de Joodse gemeenschap een bedrag ter beschikking moest worden gesteld als tegemoetkoming voor de tekortkomingen in het rechtsherstel. Ten derde was een dergelijk bedrag uit zijn aard niet rekenkundig of boekhoudkundig vast te stellen, zodat het naar het unanieme oordeel van de commissie redelijk en billijk was daarvoor 250 miljoen gulden ter beschikking te stellen. Ten vierde adviseerde de commissie dit bedrag in een publiekrechtelijk in te stellen fonds te storten, waarvan de meer collectieve en/of individueel gerichte, fiscaal overigens onbelaste, bestemmingen werden bepaald door een bestuur dat tenminste in meerderheid bestond uit personen vanuit de Joodse gemeenschap.

De commissies spraken bij hun aanbevelingen over ‘smartengeld’, ‘een symbolisch bedrag’, ‘een gebaar’, ‘een financiële tegemoetkoming’ en een ‘bedrag op morele gronden’. De termen ‘redelijkheid en billijkheid’ werden veel gebruikt. Hiermee bleven de commissies ver weg van de in de Joodse gemeenschap gebezigde termen als ‘restitutie’, ‘erkenning van aanspraken’, ‘teruggave’ van Joodse tegoeden, ‘correctie van roof en onrecht’, ‘schadevergoeding’ en ‘Joods geld’. Zo stelde de commissie-Van Kemenade in haar conclusies en aanbevelingen expliciet dat de omvang van roof en restitutie niet meer onomstotelijk kon worden vastgesteld en dat de door haar gewenste financiële tegemoetkoming door de overheid aan de Joodse gemeenschap niet een vergoeding achteraf is van geleden schade. Daarom was er dan ook geen rechtsgrond voor een individuele uitkering aan alle Joodse ingezetenen.26

Bij de onderhandelingen (zie volgende paragraaf) verloren de termen van de commissies aan betekenis en kwamen de termen van de Joodse gemeenschap bovendrijven. In de onderhandelingen ging het de Joodse gemeenschap om correcties van roof en onrecht en niet om een vergoeding voor leed tijdens of na de Tweede Wereldoorlog. De partijen gingen rekenen. Bepaald werd wat destijds de schadebedragen zijn geweest en wat de actuele waarde was. Bij de akkoorden werd veel op een politieke basis afgehandeld. Tenslotte werd men het eens over een veel harder moreel oordeel over het rechtsherstel dan eerder door de commissies verwoord was.

De inhoud van de Nederlandse akkoorden

In Nederland zijn door de Joodse gemeenschap akkoorden gesloten met de verzekeraars, de regering, de banken en de beurs.

Akkoord met de verzekeraars

De afkoopwaarden van nooit opgeëiste Joodse levensverzekeringen zijn rond 1955 overgedragen aan de staat als ‘onbeheerde nalatenschappen’. Met het akkoord van 9 november 1999 betaalden de verzekeraars de verzekerde waarde minus de afkoopwaarde aan de Joodse gemeenschap. In een gezamenlijk persbericht van het CJO en het Verbond van Verzekeraars werd melding gemaakt van een akkoord over de afhandeling van nooit opgeëiste levensverzekeringen van in de Tweede Wereldoorlog vervolgde Joden.

De verzekeraars stellen voor dit doel 45 miljoen gulden ter beschikking. Van dit bedrag is 20 miljoen gulden bestemd voor individuele uitkeringen aan rechthebbenden op de polissen en 25 miljoen voor doelen te bepalen door de Joodse gemeenschap. Daarnaast zal het Verbond met een bedrag van 5 miljoen gulden het project Monument Joodse Gemeenschap financieren. De overeenkomst is een finale regeling, waarmee partijen beogen recht te doen aan en helderheid te scheppen voor de slachtoffers van de Sjoa en hun nabestaanden.27

Ondertekening akkoord over de Joodse polissen november 1999 van links naar rechts:

W. Terwisscha van Scheltinga (directiesecretaris VvV), E. Fischer (Algemeen Directeur VvV), E. Numann (voorzitter CJO), J. Sanders (secretaris CJO) en R. Naftaniël (CJO-lid).

Verbond van Verzekeraars, Den Haag.

Bij de overeenkomst is uitgegaan van de gederfde rente vanaf 1943 en daarom werd een rentefactor van 22 toegepast.

Het in grote harmonie in Nederland gesloten akkoord (zie de Verbondsfoto van de ondertekening) bleek niet het slotstuk te zijn voor de verzekeraars en het CJO. Het akkoord kreeg geen erkenning in de Verenigde Staten. Het WJC en toezichthouders van Amerikaanse staten lagen lange tijd dwars. Er volgde een ingewikkeld spel waarbij de Amerikaanse partijen pas in mei 2000 het in Nederland gesloten akkoord aanvaardden. Tegenprestatie was dat het Verbond van Verzekeraars toetrad tot de commissie-Eagleburger, de internationale verzekeringscommissie.

Akkoord met de regering

Op 21 maart 2000 was er een akkoord van het CJO met de regering, maar geen gemeenschappelijk persbericht. Er kwam een kort persbericht van Algemene Zaken naar aanleiding van een lange brief van de regering aan de Tweede Kamer over de verschillende historische onderzoeksrapporten. In die brief noemde de regering in aansluiting op de onderzoekscommissies de achteraf geconstateerde tekortkomingen van het rechtsherstel. Ze wees erop dat er naar hedendaagse normen sprake had moeten zijn van een gevoelvollere bejegening van de vervolgingsslachtoffers. De regering sprak geen spijt uit over de gang van zaken in de oorlog. De spijtbetuiging van de regering laat zich niet gemakkelijk samenvatten. Daarom volgt hier de letterlijke passage:

De regering erkent ten volle – terugkijkend met de wetenschap en de ogen van nu – dat er te veel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel is geweest. Daarvoor spreekt de regering oprechte spijt en verontschuldigingen uit naar degenen die toen hebben geleden, zonder overigens verkeerde bedoelingen te veronderstellen bij degenen die toen verantwoordelijkheid droegen. Desalniettemin dringt zich uit de rapporten geen andere conclusie op dan dat de verantwoordelijkheid bij de uitvoering van het beleid en de toepassing van wetgeving niet altijd op de juiste manier is genomen. Er zijn fouten en tekortkomingen geconstateerd die onder ogen moeten worden gezien en waar conclusies aan verbonden moeten worden.28

In de brief aan de Tweede Kamer ging de regering in op de restitutiebenadering van het CJO:

Het CJO heeft zich in de gesprekken met de regering op het standpunt gesteld dat zaken en gelden die niet aan de oorspronkelijke rechthebbenden of hun erfgenamen kunnen worden teruggegeven, behoren te worden overgedragen aan de joodse gemeenschap in Nederland, zijnde de morele erfgenaam van de Nederlandse Holocaustslachtoffers. Men spreekt ook in termen van restitutie, moreel recht en een finale kwijting. De commissies hebben onderstreept dat tegoeden langs wettelijke weg aan de Staat vervallen zijn, maar schetsen tegelijkertijd een moreel dilemma. De wet (art. 879, tweede lid, Boek 4 bw) wijst de Nederlandse Staat aan als gerechtigde tot de nalatenschap indien wettelijke erfgenamen ontbreken, en niet een organisatie van de bevolkingsgroep waartoe de overledene behoorde. De regering heeft echter begrip voor de gevoelens die vanuit de Joodse gemeenschap naar voren zijn gebracht en verwacht dat het ter beschikking stellen van 400 miljoen gulden hieraan tegemoet komt. Dit moet dus gezien worden als een erkenning van deze morele aanspraken. Het gaat hierbij zowel om bedragen die eertijds rechtmatig en wettelijk aan de Staat vervallen zijn alsmede om enkele specifieke kwesties als de kosten van de kampen Westerbork en Vught die begrijpelijkerwijs zeer gevoelig in de Joodse gemeenschap liggen.29

Het CJO liet een uitgebreid persbericht uitgaan waarin stond dat de regering en het CJO het eens geworden waren over de kwestie van de Joodse oorlogstegoeden.30 Het persbericht beschreef uitgebreid de totstandkoming van het akkoord, maar de spijtbetuiging van de regering kwam niet aan bod. Het persbericht concentreerde zich op de restitutie van Joodse tegoeden. De letterlijke passage is de volgende:

De gesprekken hebben ertoe geleid dat de regering de morele aanspraken van de Nederlandse Joden op deze tegoeden erkent. Op grond van diverse berekeningen en na raadpleging van accountants zijn de gesprekspartners tot de conclusie gekomen dat het totale bedrag aan aanspraken 399,4 miljoen gulden bedraagt. De regering stelt derhalve aan de Joodse Gemeenschap een bedrag van 400 miljoen gulden ter beschikking. Daarmee gaat de regering niet langer uit van een tegemoetkoming zoals de commissie-Van Kemenade heeft voorgesteld. Deze regeling laat individuele claims bij de overheid onverlet. De regering heeft toegezegd daarbij geen beroep te doen op verjaring.31

Akkoord met de banken

De banken dachten begin 2000 een akkoord met het CJO over Joodse tegoeden bij banken te hebben afgesloten.32 PriceWaterhouseCoopers (PWC) deed uitgebreid en technisch onderzoek. Het ging in het PWC-onderzoek om een tiental punten van materiële en immateriële aard.33 Het belangrijkste punt was de berekening van niet-opgevraagde Joodse creditgelden bij banken na de oorlog. De banken waren het na een redelijk verlopen proces met het CJO eens dat zij vijftig miljoen gulden zouden betalen aan de Joodse gemeenschap. Als tegenprestatie daarvoor werd van het CJO verwacht dat het CJO de banken zou vrijwaren en een inspanning zou leveren om het akkoord ook in het buitenland te doen accepteren.

Eind maart 2000 lag er feitelijk een akkoord zonder dat er getekend was. Het akkoord met de banken werd opgehouden vanwege een interventie in het proces door Avraham Roet, de voorzitter van het Platform Israël (de organisaties van Nederlandse Joden in Israël). Roet bracht het CJO op andere gedachten. De banken kregen te horen dat eerst het akkoord over het effectenrechtsherstel gesloten moest worden voordat getekend kon worden. De banken werden als belangrijke beurspartijen door het CJO en het Platform Israël in de discussie over het effectenrechtsherstel betrokken.

Akkoord met de beurs

De Amsterdam Exchange (AEX) en de Vereniging voor de Effectenhandel (VVDE) voerden in het voorjaar van 2000 overleg met het CJO en het Platform Israël zonder dat resultaten in het verschiet lagen. De beurspartijen wilden een gebaar maken terwijl de Joodse organisaties wilden dat de restitutiebenadering gevolgd werd. In 1953 was als gevolg van een schikking negentig procent van de waarde van effecten uitgekeerd. De Joodse onderhandelaars wilden dat alsnog de ontbrekende tien procent uitgekeerd werd. Toen de beurspartijen in de eindfase van de onderhandelingen met het historische schadebedrag (‘het effectenmanco’) akkoord gingen, bleef er een fors meningsverschil met de Joodse onderhandelaars over wat de oprenting daarvan was naar hedendaagse waarden. Het ging om de exact te hanteren rentefactor.

Toen de discussie en de onderhandelingen over het effectenrechtsherstel in Nederland in mei 2000 in een impasse waren geraakt, trokken het CJO en het WJC één lijn. In de Verenigde Staten werd een boycot van Nederlandse banken als ING en ABNAMRO ternauwernood afgewend. Het WJC ging akkoord met hetgeen in Nederland op 15 juni 2000 door de banken en de AEX na opnieuw moeizaam overleg met het CJO en Platform Israël aanvaard werd. De beurspartijen zouden 264 miljoen gulden aan de Joodse gemeenschap betalen. Daarmee is honderd procent van de waarde van de Joodse effecten alsnog uitgekeerd. Begin augustus 2000 verscheen een spijtbetuiging van de AEX en de VVDE in verschillende dagbladen in het Nederlands, Engels en Ivriet. Essentieel is dat de VVDE en de AEX uitspraken zich na lezing van de rapporten van Scholten en Van Kemenade zich zeer bewust te zijn geworden van

de onrechtvaardige opstelling van de VVDE in en na de oorlog. Het betrof de toelating van Liro tot de beurs en de betrokkenheid van de beurs bij de verhandeling van de uit joods bezit afkomstige effecten, alsmede de wijze waarop door de VVDE is ingegrepen in de uitvoering van het effectenrechtsherstel. Bij dit laatste werd onder meer gedoeld op de zware inbreuk die de afkondiging van een beurstaking op de rechtsherstelsystematiek heeft gemaakt.34

De Nederlandse akkoorden en ‘reparations’

Samenvattend komt er met de akkoorden over Joodse oorlogstegoeden een ander oordeel naar voren over wat de Joodse gemeenschap in en na de Tweede Wereldoorlog is overkomen. De Joodse gemeenschap wordt alsnog in morele zin recht gedaan. Op basis van het feit dat men tot de Joodse gemeenschap behoort, vindt een betrekkelijk ruwe vorm van verdelende rechtvaardigheid plaats. Die lijn wordt teruggezien in de akkoorden, maar ook in de daaropvolgende uitbetalingen aan de Joodse gemeenschap die hoofdzakelijk plaatsvindt via individuele uitkeringen. Nederland loopt daarmee in de pas met veel andere Europese landen.35

Als het begrip ‘reparations’ wordt toegepast op de Nederlandse casus, rijst het volgende beeld van de akkoorden op:

Overzicht van de bij de akkoorden betrokken partners en de afspraken.

Verzekeraars Overheid Banken Beurs
Restitutie X X X X
Compensatie X X
Excuus X X

Bij het akkoord over de Joodse levensverzekeringen gaat het om restitutie. De verzekeraars en het CJO zijn het erover eens dat de Joodse gemeenschap de moreel rechthebbende is van nooit-opgeëiste uitkeringen van levensverzekeringsgelden.36 Die terminologie (‘moreel rechthebbende’) laat goed zien dat partijen op zoek zijn geweest naar het rechtzetten van een geconstateerde omissie en niet langer rekening wil houden met juridische belemmeringen. Daarbij wordt gedoeld op het feit dat de staat in wettige zin eigenaar is van deze afkoopsommen en dat er verjaringstermijnen gehanteerd worden.

Bij het akkoord van de Joodse gemeenschap met de regering ligt een kwalificatie van de uitkomsten wat ingewikkeld omdat beide partijen zoals aangegeven het akkoord in eigen woorden presenteren. Het CJO en de regering zijn het eens over de morele aanspraken van de Joodse gemeenschap. De term ‘morele aanspraken’ laat zien dat er een middenweg is gezocht tussen juridische, politieke en morele aspecten. Die morele aanspraken hebben ook betrekking op zaken waarover in 2000 anders door de regering werd geoordeeld dan ten tijde van het rechtsherstel. Voor de fouten en tekortkomingen biedt de regering een spijtbetuiging aan. Bij het akkoord van de Joodse gemeenschap met de regering is sprake van een combinatie van (morele) restitutie, compensatie en een excuus.

In het akkoord over de tegoeden bij banken gaat het allereerst om restitutie. In de ogen van de banken en het CJO is de Joodse gemeenschap moreel eigenaar van niet opgeëiste tegoeden bij banken. Compensatie is eveneens aan de orde vanwege enkele kwesties waar de banken in het verleden voordeel bij hebben gehad.

Het akkoord over het effectenrechtsherstel omvat restitutie en een excuus. Er vindt alsnog restitutie van het effectenmanco plaats evenals een ruiterlijke spijtbetuiging van de beurs.

Met de gehanteerde begrippen worden elementen van de Nederlandse casus duidelijker in beeld gebracht. Ze laten zien dat nieuwe inzichten over recht en rechtvaardigheid met betrekking tot de joodse oorlogstegoeden zijn gaan gelden. Mensen gaan anders tegen gebeurtenissen uit het verleden aankijken en willen ‘in het reine komen met de geschiedenis’. Dit is feitelijk in Nederland gebeurd. Waar het rechtsherstel in strikt juridische zin afgesloten is, worden openingen geboden om alsnog tot correcties en aanvullingen te komen.

De Nederlandse casus onderstreept dat deze begrippen ontleend aan theorieën op het terrein van Transitional Justice van praktische betekenis kunnen zijn, iets waar sommigen in wetenschappelijke kring aan twijfelen. Zo schrijft Ludi:

Apart from terminological clarification, however, the contribution of transitional justice literature to the history of reparations is marginal. Most authors’ historical interest is episodic at best. They might list exemplary cases in support of their arguments, with little consideration for historical transformations.37

Dit oordeel gaat mij wat ver, temeer daar Ludi zichzelf weer op Barkan baseert. Tegelijkertijd heeft Ludi een punt in haar oproep om deze begrippen te verduidelijken. Over die begrippen zelf is ongetwijfeld het nodige op te merken. Ze zijn ambigu, ruim en erg algemeen. Maar juist door die ambiguïteit stellen ze partijen in staat elkaar te vinden in gezamenlijke formuleringen. In het akkoord over de polissen spreken verzekeraars en CJO over de joodse gemeenschap als moreel rechthebbende van de polissen. In het akkoord van het CJO met de regering wordt de Joodse gemeenschap ook erkend in haar morele aanspraken. Tegelijkertijd neemt de regering de restitutiebenadering van het CJO niet over.

Morele aanspraken ontlenen hun geldigheid (althans vanuit Joods perspectief) aan juridische argumenten, ook al zijn de feiten – juridisch gesproken – niet langer afdwingbaar. De voortdurende vermenging van recht en moraal vormt uitdrukking van een compromis tussen de behoefte aan juridische erkenning (terugkrijgen waar men als oorspronkelijk eigenaar ‘recht’ op heeft) en het maken van een moreel ‘gebaar’ op basis van de ‘huidige inzichten’. Juist de gekozen terminologie (‘moreel rechthebbende’, ‘morele aanspraken’) biedt de verschillende partijen de weg om er gezamenlijk uit te komen. Concluderend kan hier gesteld worden, dat de inherente vaagheid van theoretische begrippen die aan het onderzoeksveld van Transitional Justice zijn ontleend, verzoenend hebben gewerkt en derhalve positief hebben bijgedragen aan het Nederlandse restitutieproces in de tweede helft van de jaren negentig, een proces dat terugblikkend succesvol mag worden genoemd.

De ‘restitutie’ van Joodse oorlogstegoeden is ‘het frame’ waarmee de hausse aan excuses en betalingen in de tweede helft van de jaren negentig in Nederland in navolging van andere landen ingezet wordt. Het is de retoriek waarmee aansluiting gevonden wordt bij de naoorlogse periode van het rechtsherstel. Door de uitkomsten van de onderhandelingsprocessen in 2000 te begrijpen als het eindpunt van een ‘restitutiegolf’ die medio jaren negentig werd ingezet, vormen deze een aanvulling op het naoorlogse rechtsherstel uit de jaren veertig en vijftig. Op onderdelen wordt een oude situatie hersteld of rechtgezet. Individuele Joden kunnen in een aantal gevallen alsnog uitbetaling van hun polissen en effecten claimen. Dat in 2000 in Nederland door het CJO enkele tientallen miljoenen guldens opzij werden gezet in claimstichtingen heeft daarmee van doen.

Maar dit is niet het gehele verhaal. Wat in de Nederlandse akkoorden uit 2000 de boventoon voert, is het morele aspect. Zaken of gebeurtenissen worden alsnog als onrechtvaardig of onjuist bestempeld tegenover een veel bredere kring van personen dan die van individuele claimanten. Om die reden krijgen alle Joden excuses. Zij worden immers beschouwd als de morele erfgenamen van alle omgekomen Joden en van Joden die na de oorlog onrechtvaardig behandeld zijn. Joodse overlevenden of hun nabestaanden krijgen bovendien een moreel recht of recht op ‘morele restitutie’. Daarom komt er financiële compensatie in de vorm van individuele en collectieve uitkeringen aan de gehele Joodse gemeenschap. Met deze generieke uitkeringen is een weg naar verzoening ingezet, die het restitutieframe overstijgt.38 Daarmee is niet gezegd dat een verzoeningsgerichte benadering niet eigen gebreken kent, of hoger zou moeten worden aangeslagen dan een streven naar restitutie.39 Wel dient opgemerkt te worden dat het restitutieframe van de jaren negentig deels gevoed wordt door overwegingen die zich niet langer tot restitutie in individuele gevallen beperken, maar via collectieve maatregelen trachten recht te doen aan de bredere behoefte aan erkenning van de Joodse gemeenschap. Een dergelijke verschuiving van herstellende naar verdelende gerechtigheid is één van de zaken die opvallen wanneer men het rechtsherstel uit de jaren veertig en vijftig met de ‘restitutiegolf’ van de jaren negentig vergelijkt.

Tot slot

De Joodse hoofdrolspelers zijn met de akkoorden positief over de uitkomsten van het proces.40 De akkoorden in Nederland bieden in 2000 eerherstel aan de Joodse oorlogsslachtoffers die zich na de oorlog niet gehoord voelen. Het herstellen van gemaakte fouten rondom de Joodse tegoeden draagt in de ogen van veel Joodse hoofdrolspelers bij tot de erkenning van de Joodse gemeenschap. Met de individuele en collectieve uitkeringen, en de individuele claimafhandeling valt Nederland internationaal op. Nederland doet dat heel snel en efficiënt. Het WJC, de internationale verzekeringscommissie en Amerikaanse toezichthouders stellen Nederland als voorbeeld aan andere landen.

In 2001 verdween het internationale momentum voor het onderwerp van de Joodse tegoeden. De wereldwijde politieke aandacht verflauwde. Grote doorbraken werden met uitzondering op het kunstterrein niet meer bereikt. Met het aantreden van de Bush-regering op 20 januari 2001 en na de terreuraanslagen op 11 september 2001 verdween het onderwerp Joodse tegoeden grotendeels van de internationale politieke agenda.41 Als na 2001 nog akkoorden gesloten moeten worden over Joodse tegoeden, verloopt het proces moeilijker zoals de gang van zaken in België aantoont.42 In nog veel sterkere mate doet zich een anti-houding in Oost-Europa voor. Zo stelt het onderzoek naar Joodse oorlogstegoeden in de Oost-Europese landen in de praktijk weinig voor.43

De Holocaust-aandacht zelf verschuift van ‘money’ naar ‘memory’. In januari 2000 werd in Stockholm een conferentie gewijd aan Holocaust-educatie. Tientallen politieke leiders waaronder minister-president Kok namen deel. De slotverklaring luidde: ‘Our commitment must be to remember the victims who perished, respect the survivors still with us, and reaffirm humanity’s common aspiration for mutual understanding and justice.’ Wat op dit moment feitelijk gebeurt, is dat Holocaust-educatie toekomstgericht wordt en restitutievraagstukken naar de achtergrond verdwijnen. Het onderwerp Holocaust-educatie is minder politiek beladen en wordt iets voor experts.

Er worden nog vele conferenties over Holocaust-educatie gehouden, maar de grote initiator Stuart Eizenstat moet in 2009 erkennen dat

Some of the momentum behind restitution of Jewish assets has been lost over the last eight or 10 years. What we are trying to do at these conferences – and with a good measure of success – is to bring moral suasion on these countries. There is no international mechanism to force action, nor would that be effective if one tried to do it.44

Daarmee is niet gezegd dat het onderwerp van de Joodse oorlogstegoeden in Nederland voorbij is. Het thema van restitutie speelt af en toe nog op zoals met geroofde Joodse kunstwerken, onroerend goed en laatst nog in Amsterdam rondom spaartegoeden en erfpacht.45 In Nederland blijft de morele kant van de Joodse tegoeden en de erkenning van het Joodse leed zwaar wegen.