Wat blijft er in de geschiedenis over van een politiek initiatief dat voor even het centrum van politieke vernieuwing leek te zijn? Nieuw Links hield tussen 1966 en 1970 de Partij van de Arbeid (PVDA) in een greep en de instigatoren maakten, ieder op hun eigen manier, later furore in bestuurlijke en maatschappelijke functies. Maar in de recent bij Boom uitgegeven bundel beschouwingen over de geschiedenis van de PVDA (Frans Becker en Gerrit Voerman (eds.), Zeventig jaar Partij van de Arbeid) is Nieuw Links niet meer dan een rimpelingetje in de vijver. Een van de belangrijkste Nieuw Links-ideologen Han Lammers moet het doen met twee zinnen over zijn opstappen als wethouder van Amsterdam in 1976. Die zinnen zijn nog grotendeels onjuist ook.

Dat kunnen we nagaan omdat er inmiddels ook een biografie van Lammers is verschenen. Dat heeft wat voeten in de aarde gehad, want de oorspronkelijke biograaf besloot het (promotie)project uiteindelijk niet af te maken, terwijl hij al fors tijd in onderzoek had geïnvesteerd. De productieve historicus De Liagre Böhl werd bereid gevonden om het karwei af te maken. Gelukkig maar, want Lammers is een biografie meer dan waard. Dat heeft niet alleen met Nieuw Links te maken maar vooral met zijn bredere ontwikkeling van een nieuwsjournalist naar een bestuurlijk zwaargewicht in Amsterdam en Flevoland.

Het bekendst is Lammers natuurlijk geworden als een van de opstellers van Tien over Rood, het in amper vier dagen in elkaar gesleutelde pamflet dat in oktober 1966 de PVDA opschudde. Maar hij had er toen al een carrière als journalist opzitten. Begonnen als nieuwsberichtjestikker voor het Algemeen Dagblad, was de voorlijke Lammers in korte tijd een opiniërend journalist voor De Groene Amsterdammer en de tv-omroep Interkerkelijk Overleg inzake Radioaangelegenheden (IKOR) geworden. Door een nogal plotselinge aansluiting bij de PVDA raakte zijn loopbaan in een geheel ander vaarwater. Opmerkelijk was die stap wel, want hij had eerder krachtig beleden dat het voor een journalist volkomen onaanvaardbaar zou zijn om lid te zijn van een politieke partij.

Was de stap naar de politiek opportunistische geldingsdrang of voortschrijdend inzicht? De Liagre Böhl laat dat wat in het midden, maar signaleert dat Lammers met al dat geschrijf voor kranten tot de overtuiging was gekomen dat ‘praatjes geen gaatjes vullen.’ Zijn vriendschappen met een kring van mediamensen rond de ideologisch gebonden (sociaaldemocratische) publieke omroepvereniging VARA, het socialistische dagblad Het Vrije Volk en de socialistische uitgeverij Arbeiderspers speelden ongetwijfeld een grote rol. Dat geldt ook voor een zekere linkse modieusheid in het Amsterdamse circuit van kunstenaars, journalisten en schrijvers waar Lammers een graag geziene gast was. Het was een overwegend masculiene wereld die een einde wilde maken aan vastgeroeste denkbeelden en gewoontes van de sociaaldemocratische leiders uit die tijd.

En daar had men provocerende ideeën voor nodig. Die zijn in de historische terugblik meer omstreden dan ze in die tijd zelf waren. De nogal blinde steun van Nieuw Links aan communistische regimes in Oost-Duitsland, Cuba en Roemenië werd bijvoorbeeld alleen door wat krasse PVDA-knarren tegengesproken, maar die hadden mentaal hun beste tijd gehad. En dus was het weghonen van hun commentaar een koud kunstje voor publicitaire talenten zoals Lammers. Daarbij was het onmiskenbaar dat Lammers geen man was voor weidse ideologische vergezichten, die in een consistent raamwerk pasten. Hij was eerder een sluw pragmaticus die de oude hap met zijn Koude Oorlog-opvattingen uit de frisse nieuwe tijd wilde jagen.

Met dergelijke standpunten had Lammers gemakkelijk in de status van fellow traveler kunnen vastlopen. Maar hij zette daadwerkelijk ook een stap naar de politieke praktijk, waar de marges altijd veel smaller waren. Als wethouder van Amsterdam tussen 1971 en 1976 moest hij spitsroeden lopen. Eerst om de historische Jordaan te redden voor de grootstedelijke vernieuwingspogingen van sociaaldemocratische ambtenaren die decennialang hun gang hadden kunnen gaan. De grootste beproeving kwam door Lammers’ eigen plannen voor grootstedelijkheid: de aanleg van de metro en de sloop van een groot deel van de oude Nieuwmarktbuurt. Ook die beproeving kwam hij deels te boven – de plannen werden ondanks enorm verzet toch doorgevoerd – maar zijn overgang in 1976 naar de Flevopolders werd in die tijd niet gezien als een bevordering en beloning.

Volgens De Liagre Böhl bewijst Lammers’ wethoudersperiode dat hij succesvol kon zijn omdat hij ‘energiek en bij vlagen briljant’ was. Dat mag zo zijn – zijn functies als landdrost en commissaris der Koningin in Flevoland en burgemeester van Almere geven genoeg aanwijzingen daartoe – maar een nogal eenkennig en meedogenloos karakter zal ook een factor zijn geweest. De verhalen daarover spelen zich in deze biografie in de zijlijn af, bijvoorbeeld in de verhalen over Lammers’ gemankeerde relatie met zijn dochters. Maar veelzeggend zijn ook de inkijkjes in de tamelijk meedogenloze manier waarop Lammers collega’s en vrienden aan de kant kon zetten als hem dat zo uitkwam.

De Liagre Böhl zet Lammers dan ook neer als een bokkige pragmaticus (‘een gereformeerde jongen ... saai en degelijk, akelig beleefd’ (250)) die zijn publicitaire gaven tot op de bodem heeft benut om iets te bereiken. Een echt plezierige man kon hij bij vlagen wel zijn. Grote verhalen over lange dagen en nachten in de Amsterdamse kroegen en het eindeloos bomen over politiek, media en kunst zijn er genoeg. En in de wereld van kerkorgelspelers was Lammers zeker een graag geziene gast.

Maar de flegmatieke afstandelijkheid en botte doordrammerij maakte de omgang niet altijd voor iedereen tot een feest. Dat komt vaker naar voren in de levens van socialisten en journalisten. De drang om zich met idealen te bewijzen of zelfs op te offeren, verwoestte menig privéleven. In de politiek van Nieuw Links en in de journalistieke benadering die daaraan soms ten grondslag lag, was een privéleven ondergeschikt. Of wellicht juister: omdat ook het persoonlijke politiek was, raakten velen in de knoop met hun privéleven.

Het zou mooi zijn als er eens een biograaf op staat die de hele generatie van Nieuw Links en andere progressieve politieke stromingen vanuit deze optiek zou kunnen benaderen. Met de biografie van Lammers is daarvoor een zeker fundament gelegd. De voornaamste werkzaamheden van Lammers zijn nu keurig gedocumenteerd en in een kort, maar logisch en argumentatief betoog opgetekend. Daarmee is een zekere balans van een boeiend politiek-journalistiek leven opgemaakt. Daarop kunnen historici verder bouwen met verdiepende studies van bijvoorbeeld de verbindingen tussen de Amsterdamse journalistiek en de landelijke politiek; de plaats van de sociaaldemocratische politiek in de verwevenheid van politieke en media-instituties; en de betekenis van de vooroorlogse generatie voor de vernieuwing van het politieke spectrum in de jaren zestig en zeventig. En wie weet waagt een historisch psycholoog of filosoof zich nog eens aan de vraag waarom een barse en weinig empathische persoonlijkheid uitstekend gedijt in radicaal politieke groeperingen die uit ideologische motieven de macht wensen te veroveren. Lammers en Nieuw Links vormen daarvan slechts één van een hele reeks voorbeelden.